Te voet door de Dogonfalaise en op een pinasse over de Niger
Van Timboektoe naar Djenné

We varen op de Niger en ons plekje op de voorplecht is geweldig. We hebben rondom uitzicht en zitten heerlijk in de schaduw. Op de rivier zien we tientallen pirogues varen met daarop vissers met werpnetten. Hoe ze het voor elkaar krijgen hun evenwicht te bewaren wanneer ze het zware net uitwerpen is een raadsel. Het stukje hout waar ze op staan is nauwelijks tien centimeter breed en een pirogue is niets meer dan een flinke kano. Onbegrijpelijk.
Achter ons klinkt een liedje van Oumou Sangaré uit een door een andere passagier meegebrachte ghettoblaster. De zon gaat als een rode kerstbal onder. We hebben het naar ons zin.
| 26-12-1998 | op de Niger | 26 km | 11811 km |
In ons arrangement zijn de maaltijden inbegrepen en dus eten we later die avond rijst met visrestjes uit een grote schaal. Met de kapitein, stuurman, machinist en de kok aan tafel... een kerstcruise met een captain's diner.

| Op de rivier zien we tientallen pirogues varen met daarop vissers met werpnetten. | Het stukje hout waar ze op staan is nauwelijks tien centimeter breed |

| Met de kapitein, | de kok, | de stuurman en de machinist aan tafel... een kerstcruise met een captain's diner. |
| 27-12-1998 | op de Niger | 0 km | 11811 km |
Om half acht vertrekken ook wij. In tegenstelling tot gisteren waait het nu geweldig en omdat wij op het voordek zitten krijgen we de volle laag. Spatwater komt met bakken over ons heen en maakt dat onze cruise heel wat minder aangenaam is dan gisteren. De rivier is breed, het landschap leeg.
We passeren een aantal dorpjes met nog mooiere moskeeën dan die we tot nu toe gezien hebben. Dan weer op de linker- dan weer op de rechteroever. En dan ineens zien we ook het eerste nijlpaard. Het enorme beest zwemt midden op de rivier, een eindje van ons vandaan. Regelmatig duikt het even onder om een eindje verder weer boven te komen. Ook zien we tientallen ijsvogels en even verderop liggen er vier nijlpaarden op een zandbank. De hele dag tuft onze boot over de Bani en later ook over de Niger. We genieten van de vogels die we zien en rusten uit. Het is vakantie. Achter ons, op het middengedeelte van de pinasse, zitten een twintigtal mensen, de meeste van hen zijn Peul en ook op weg naar Timboektoe. Het is er een drukte van belang. De ghettoblaster staat de hele dag aan en we luisteren naar monotone muziek, eindeloos, zonder begin en zonder eind. Het heeft een prettige, mediterende uitwerking op ons. We gebruiken onze tijd om bij te schrijven.
Op een gegeven moment komen we op een gedeelte waar de Niger zo breed is dat we alleen maar water zien. Voor, achter, links en rechts, nergens is meer een stukje oever te bekennen. Plukjes riet, kleine eilandjes. Alleen achter ons zien we nog een topje van de Goura, een steenheuvel van een meter of vijftig hoog die als een puist boven de watervlakte uitsteekt. Het meer waar we op varen heet Lac Djebou en is tienmaal groter dan het IJsselmeer. Net als gisteravond genieten we van een prachtige zonsondergang.
Aan het eind van de dag leggen we aan in Aka. We kopen er heerlijke gebakken vis. Langzaam zakt de nacht over het landschap.

| Aan het eind van de dag leggen we aan in Aka. | We kopen er heerlijke gebakken vis. |
| 28-12-1998 | op de Niger | 0 km | 11811 km |
Midden in de nacht stopt de boot. Er wordt wat heen-en-weer geschreeuwd en de kapitein laat de boot langzaam naar de wal drijven. Er zit iets om de schroef en de schroefas. Twee jongens kleden zich uit en moeten het water in. Onder de boot maken ze de boel schoon. Een stuk van een visnet en plastic zakken worden verwijderd en na een klein halfuurtje varen we weer weg.
Het is net licht wanneer we Niafounké binnenkomen. De woonplaats van Ali Farka Touré. Hier moet een groot gedeelte van de lading gelost worden. Negen ton cement, honderdtachtig zakken. Het lossen van de lading gaat geheel met de hand. Zeven jongens lopen van de wal naar de boot. Ze zijn haveloos gekleed en waden tot hun middel in het water over een afstand van dertig meter. Bij de boot krijgen ze een baal cement van vijftig kilo op hun hoofd en waden daarmee terug naar de wal. Het gaat er niet erg pragmatisch aan toe en duurt bijna vier uur.
Dan varen we weer. De wind is inmiddels tot stormachtig aangewakkerd en het buiswater komt met golven over de boeg. Binnen een half uurtje zijn we drijfnat en begint de lading waterschade op te lopen. Samba, de kapitein, overlegt met Isa en ze sturen de boot naar de wal. We gaan hier wachten tot de wind gaat liggen. Niemand protesteert. We zullen niet vanavond maar morgen pas in Timboektoe arriveren... Inch' Allah.
Na een oponthoud van drie uur gewacht gaan we weer verder. De wind is maar een beetje afgenomen. Het waait nog steeds behoorlijk hard. Samba geeft ons na een klein half uurtje, wanneer we volledig doorweekt zijn, een rieten mat. Met de straps die we bij ons hebben maken we een constructie tussen twee van de pijlers die het dak van de boot dragen. Daartussen hangen we de mat. Nu zitten we uit de wind en droog. Eerste klas.
We varen door tot ver in het donker en we allang in de slaapzak liggen. Dan worden we opeens wakker. We liggen stil, ergens langs de oever. Er is iets aan de hand, dat is duidelijk. Achter ons, waar de rest van de passagiers liggen, is een luide discussie gaande. Het lijkt erop dat Samba niet verder wil varen omdat zowel hij als Isa moe zijn. Een aantal passagiers is boos omdat ze van mening zijn dat de drie uur rust van vanmiddag al ruim voldoende was. We proberen om ons Afrikaans te houden en er ons niet aan te storen. Het heeft geen enkele zin. Uiteindelijk wordt het toch stil en berust iedereen in zijn lot. Samba ligt dan al lang te knorren.

| Pinasses die een zeil hebben dat gemaakt is van oude rijstzakken klieven als een speer door de golven. |
| 29-12-1998 | naar Kabara | 0 km | 11811 km |
Om tien uur 's ochtends gaan we voor anker voor de kade van Diré. De hoge golven maken het te moeilijk om aan te leggen en dus gaan degenen die hier aan land gaan per pirogue van boord. Ook hun bagage en een aantal enorme balen rijst worden op deze manier overgeladen. Het is een boeiend schouwspel. Niemand schijnt een vaste taak te hebben en schreeuwt vooral naar anderen wat die moeten doen.
Samba, Isa en nog wat anderen gaan aan wal om de formaliteiten te regelen met de havenautoriteiten. Vrouwen in pirogues varen langs om oliebolletjes en gebakken vis aan te bieden. Het is hier druk.
Eindelijk, na drie uur oponthoud, varen we weer. Vanaf onze boot hebben we geboeid toegekeken hoe er op de kade een hooglopend dispuut ontstond. Samba is tot twee maal toe teruggekeerd naar de boot om z'n beklag te doen. In onze pinasse wordt ook twee ton beurre de karité vervoerd, een vette substantie die als babyzalf gebruikt wordt en uit noten geperst wordt. Over dit goedje moet extra belasting betaald worden. De eigenaar, die ook aan boord is, weigerde om bij te betalen omdat hij een 'all-in' prijs met de vervoerder is overeen gekomen. De autoriteiten hielden voet bij stuk, Samba ook en de handelaar ook. Maar, uiteindelijk varen we weer en zit Samba mokkend te schelden op de voorplecht. We kunnen dus aannemen dat hij het onderspit gedolven heeft.
Inmiddels zijn we al bijna een dag achter op het schema en zit het er niet in dat we vanmiddag Timboektoe nog zullen halen. Het is nog ruim zeven uur tuffen. Het waait erg hard en het is behoorlijk fris.
Om een uur of tien 's avonds varen we Koriomé binnen, een havenkade, zestien kilometer voor Kabara. Door de waterstand van de Niger is Kabara voor onze pinasse niet te bereiken. Het laatste stuk van de reis heeft overigens nog behoorlijk langer geduurd omdat een aantal malen aangelegd moest worden om passagiers te laten uitstappen die in de kleine dorpjes langs de rivier wonen. Bij die gelegenheden loopt de boot regelmatig aan de grond en moet de bemanning hard werken om het gevaarte weer vlot te krijgen. Soms zelfs gaan ze van boord, staan tot hun middel in het water en zetten ze zich ruggelings schrap tegen de zijkant van het schip. Het is tot nu toe iedere keer nog gelukt.
Op de kade van Koriomé staat een kleine Landrover klaar die de passagiers verder zal vervoeren. Ruim twintig mensen en hun bagage, de chauffeur en zijn twee knechtjes beide niet ouder dan een jaar of tien niet meegerekend. Het tarief staat vast: 350 CFA per persoon plus een extra bedrag voor de bagage, de hoogte van dat bedrag is afhankelijk van de hoeveelheid en het gewicht. Ons wordt 2000 CFA gevraagd... we zijn immers toubabs, rijke blanken. We zijn bereid 1000 te betalen en niets meer. We slapen net zo lief nog een nachtje op de boot dan te zwichten voor deze vorm van racisme. Amadou, een jongen die we op de boot ontmoet hebben en die ons zijn huis in Kabara heeft aangeboden als verblijfsadres, is verbaasd en bezorgd. Hij heeft er ook belang bij dat we mee gaan. We vormen een extra bron van inkomsten. Na een poosje onderhandelen is de chauffeur gedaald tot 1500 maar dat lijkt de bodemprijs. Bovendien is de auto al propvol en kunnen we er onmogelijk meer bij. We pakken onze spullen op en lopen naar de boot terug. Dan komt hij ons achterna... voor 1000 kunnen we mee maar dan tót de afslag naar Kabara, vandaar zullen we moeten lopen... ruim een kilometer. We kijken de man aan met een blik of hij nu echt denkt dat we wit vee zijn en lopen door. Dan zwicht hij en met een groots 'vooruit dan maar' gebaar wijst hij naar de auto... voor één keertje dan... omdat we vrienden zijn van Amadou en omdat de broer van Amadou zijn collega is.
Er zitten zestien mensen opgepropt in het kleine bakje achterin. Vier passagiers zitten naast de chauffeur in de cabine, een paar jongens zitten met wat schapen tussen de bagage op het dak. Wij kunnen er onmogelijk meer bij. Els probeert zich naar binnen te wringen en uiteindelijk lukt dat. Ik ga er als allerlaatste in. Op m'n knieën zit ik even later, half hangend op schoot bij een oude man met m'n bovenlichaam in een volledige schroef gedraaid in de auto. We zijn nog geen vierhonderd meter op weg of ik krijg kramp.
| 30-12-1998 | naar Timboektoe | 0 km | 11811 km |
We zijn in Timboektoe.

| We maken wat foto's bij de huizen van René Caillé | en bij de moskee |
Anders dan bijvoorbeeld de Noordkaap, Land's End en Santiago de Compostela en andere typische eindpunten van een lange reis ontbreekt deze maal de euforie. Het doet me ditmaal helemaal niets. Zou het dan toch zo zijn dat het niet het doel is maar de reis. 'Het is niet er te zijn, maar er te komen'. Timboektoe is het Bartlehiem van Afrika.
We halen ons stempel bij de politiepost, maken wat foto's bij de moskee en de huizen van René Caillé, Heinrich Barth, D.W. Berty en Gordon Laing en lopen wat rond. De stad bestaat vooral uit vervallen lemen huizen. Op de grotere gebouwen die in goede conditie zijn staat zonder uitzondering aangegeven dat er een kerkelijke hulporganisatie of project voor ontwikkelingssamenwerking in gevestigd is. Touaregs bepalen het straatbeeld. De Bambara, Toucouleur, Tamachek, Peul en Konokoro zijn in de minderheid. Het zijn alleen de donkere kinderen die bedelen. Bovendien lijken er nauwelijks Touareg kinderen op straat te zijn. Ook alle winkeltjes zijn in handen van de Touareg.
Na er een paar uur doorgebracht te hebben gaan we in een taxi-brousse weer terug naar Kabara. We schrijven er honderdtien nieuwjaarskaarten die we later in de middag, weer terug op het postkantoor in Timboektoe, in de postbus doen. Hiermee hebben we na acht maanden fietsen aan de ons zelfopgelegde opdracht voldaan: Het sturen van Een nieuwjaarskaart uit Timboektoe.

| Op de kade van Koriouméozijn we er de hele dag getuige van hoe een oude, in lompen geklede vrouw met een stoffertje van takjes en een roestige schaal haar kostje letterlijk bij elkaar veegt. Ze veegt restjes gemorst graan tussen de keien vandaan en zuivert dat in een stil hoekje van alle rotzooi die erin zit. Takjes, steentjes, zand, torretjes en beestjes. Ze doet er uren over om een halfvol schaaltje vol te krijgen. Hoe ze het uiteindelijk wil gaan eten is ons een raadsel. | Nog steeds wordt er in Timboektoe zout verhandeld. In Korioumé staan duizenden uit het Saharazand losgehakte tabletten die met de pinasses terug naar mopti gaan. Ele tablet weeg ongeveer vijftig kilo. |

| Onze pinasse, | onze Els, |

| onze kokkin | en onze machinist |
| 06-01-1999 | naar Djenné | 47 km | 11930 km |
Bij het binnenrijden van de stad krijgt Els een lekke band en worden we zoals gewoonlijk in de Malinese toeristenplaatsen weer erg lastig gevallen door allerlei jongens die hardnekkig proberen onze gids te zijn. Ze schuwen hierbij zelfs grove intimidatie en lichamelijk contact niet. Ik vraag me af hoe zij zich een gidsrelatie met ons voorstellen wanneer ze zich op deze manier aan ons opdringen. Ze komen me onderhand m'n neus uit en steeds sneller verlies ik m'n geduld. Wanneer we uiteindelijk, omringd door een tiental schreeuwende 'gidsen', bij Chez Baba aankomen, kan ik alleen nog maar "takka boei" terug schreeuwen. Daarna willen ze allemaal 'just talk and explain' en hebben ze geen enkel oog en oor voor het feit dat je vermoeid bent. Ik ervaar het als buitengewoon vervelend en peins er niet over om met zo'n jongen een middag door de stad te lopen.
Nadat, na een uur, uiteindelijk alle 'gidsen' de binnenplaats van het hotel verlaten hebben schuift er aan de tafel naast ons een verse groep 'peace corps volunteers' aan die eerst een drieweekse kennismakingstour door Mali krijgen voordat ze ergens aan de slag gaan. De gesprekken gaan over thuis, over popmuziek en wat ze 'hierna' gaan doen. Ze zijn hier nog maar pas en kennen elkaar maar net. Wanneer ze elkaar vertellen wat ieders reden was om bij het 'peace corps' te 'volunteren' komen de meest triviale zaken naar boven... 'broken relationship' 'didn't know what to do after university', 'couldn't think of anything else'. Ook zij mengen zich, net als overigens het groepje Zwitsers aan een andere tafel, niet met de locals.
| 07-01-1999 | Djenné | 0 km | 11930 km |
We stellen onze jonge vriend gerust en maken duidelijk dat 'de maffia' de pot op kan. Opgelucht vertrekt hij weer om even later bedremmeld terug te komen in gezelschap de 'officiële' hotelgids. We mogen niet door onze jonge vriend gegidst worden maar moeten een 'officiële' nemen. Er wordt met van alles gedreigd en op een buitengewoon grove manier geïntimideerd. Voor het eerst lukt het me om lang mijn kalmte te bewaren en van het onuitstaanbare mannetje dat tegenover ons zit tot vier maal toe z'n belachelijke argumenten aan te horen. Iedere keer vragen we hem of hij alsjeblieft ons tafeltje wil verlaten. En telkens begint hij weer opnieuw. Een ander mengt zich ook in het gesprek en dreigt met geweld. Nu wordt het echt te dol en verliest Els haar kalmte. Boos gebied ze iedereen te verdwijnen en ons in vrede te laten. Het lukt niet. De sfeer is grimmig en agressief. Dan wend ik me tot de hotelleiding en geef te kennen dat we, wanneer we niet met rust gelaten worden, meteen naar het concurrerende campement vertrekken. Dat werkt. De gidsen worden van de binnenplaats verdreven en het hek gaat dicht.
Een uur later zien we onze jonge vriend, Mamadou Koita, weer. Opgelucht en blij vertelt hij ons dat het geregeld is. Hij is naar de politie geweest en heeft er z'n verhaal gedaan nadat ook hij bedreigd was. We zullen met rust gelaten worden.
Rond het middaguur komen er allerlei groepjes binnen. Het zijn gidsen met hun slachtoffers. Het tijdstip is perfect gekozen: etenstijd! Ze geven hun gezelschap te kennen dat er gegeten kan worden en gaan er bij zitten. Ze wachten daarbij net zo lang tot er voor hen ook eten en drinken besteld wordt. In de meeste gevallen is er succes. Een jonge Japanner blijft stoïcijns onder deze provocatie. Hij laat zich niet storen en eet, langzaam en smakelijk, zijn maaltijd op, drinkt z'n bier en neemt hartelijk afscheid wanneer de gids bij het toetje merkt dat er deze keer geen gratis maaltijd in zit, zelfs geen restje.
Wanneer we halverwege de middag met Mamadou vertrekken voor onze rondleiding worden we bij de poort opgewacht door één van de maffiagidsen die ons toch nog een aantal verwensingen na werpt. Meteen schieten er een aantal mensen uit de winkeltjes om hem met harde hand terecht te wijzen.
Verbaasd beginnen we aan onze trip door de stad. We lopen langs koranscholen, Marokkaanse huizen en oude poorten. En we mogen ergens op dak om een foto van de stad te maken. Natuurlijk komen we ook langs de ateliers van de goud- en zilversmeden en ook langs dat van Pama Sinantaou, een vrouw die wereldberoemd is om haar mudcloths, beschilderde stukken weefsel. Wanneer we langs het huis van de chef de village wandelen komt deze net naar buiten lopen. Een oude man met kortgeschoren grijs haar en een stoppelbaardje. We maken kennis met elkaar. Wanneer we even later weer verdergaan langs de oever van de rivier bedenk ik me dat het toch wel leuk is dat we even gesproken hebben met de 'burgemeester' van Djenné.

| Mamadou | het raadhuisplein van Djenné | Uitzicht over de stad |

| En natuurlijk: de wereldberoemde moskee |
| < Vorige | Volgende > |
|---|