Geen probleem... op onze kaart heeft de weg een nummer: T47
Verdwaald in het regenwoud

Met een flink gangetje dalen we vanuit Coyhaique de vallei van de Rio Simpson in. Boven ons een blauwe hemel waarin een paar witte wolkjes drijven, een prettig temperatuurtje en... geen wind. De kale, droge pampa's liggen na vier maanden eindelijk achter ons. Voor ons ligt het groene regenwoud van zuid Chili. Links en rechts van de weg staan dichte Fuchsiastruiken waarin tientallen kolibri's als kleine helicoptertjes van bloem naar bloem zweven. Reuzenijsvogels duiken in de rivier om met kleine forellen in hun snavel weer boven te komen. We rijden op asfalt. Heerlijk glad asfalt. Voor het eerst sinds lang, heel lang rijden we op asfalt. We tellen onze zegeningen en stoppen bij veertien. Fluitend zitten we op de fiets, nog onwetend van alles wat deze maand nog komen zal.
De aanleg van de Carretera Austral... een prestige-object van Augusto Pinochet. De voortzetting van de Panamerican Highway van Puerto Montt tot aan Yungay en Puerto Nastales. Onder zijn dictatuur werden hier, met de aanleg van deze weg, duizenden mensen 'heropgevoed'. De slachtoffers van zijn totalitaire systeem waren de gratis arbeidskrachten. Honderden van hen zouden nooit meer thuiskomen. We rijden op een 'vuile' weg.
We slapen bij een familie die model staat voor de andere bewoners van dit dunbevolkte gebied. Ze zijn hier na de aanleg van deze weg blijven hangen. Het zijn niet de 'arbeiders'. Het zijn degenen die 'toezicht' hielden op het werk en vreemd genoeg schamen ze zich daar niet voor. Ze wonen in een huis dat met 'de rechterhand' gebouwd is. Aan de muur hangt een enorme kleurenfoto in een kitscherige lijst. We herkennen onze gastheer, vijftien jaar jonger en in werkkleding. We zien hoe hij trots de hand schudt van 'El Jeffe', van Pinochet, op controlebezoek bij de aanleg van een brug.
In een ander huis zien we een ingelijste oorkonde... ontvangen voor bewezen heldhaftige diensten voor het vaderland op 11 septenmber 1973.
We rijden op een vuile weg... samen met Thomas, een jonge Duitser die we sinds Ushuaia al een paar maal eerder ontmoet hebben en met wie het 'klikt'. Met z'n drieën willen we een groot stuk van de 'Carretera Austral' noordwaarts rijden. Thomas is op weg naar een afspraak met zijn vader in Puerto Montt, wij willen in een rustig tempo opnieuw beginnen te fietsen... vijftig, zestig kilometer per dag... meer niet. Kalm aan dus, niets overhaast. Onze doelen zijn hetzelfde en het 'klikt'.
| Links: De eerste kilometers van de Carretera Austral langs de Rio Mañnihuales Midden: Een stukje verderop, waar het regenwoud begint. Rechts: Todo ripio. |
| Na anderhalve dag houdt het asfalt plotseling op en hobbelen we verder over slecht ripio. De heuvels zijn kort maar steil. Vaak te steil voor ons verzet van 26x30... lopend duwen we de fietsen omhoog om dan voorzichtig aan de afdaling te beginnen... met stijf dichtgeknepen remmen. Thomas heeft daar aanzienlijk minder moeite mee. Hij heeft het fysiek van een eenmansdestructiebedrijf en koppelt dat aan een circusverzet van 24x32. Na nog eens twee dagen bereiken we de Rio Cisnes en weten we waarom regenwoud 'regenwoud' heet. Hier regent het 370 dagen per jaar en vandaag ook. Het komt met bakken naar beneden. De volgende dag is het schitterend weer en fietsen we door het Parque Nacional Queulat. We zien waarom dit gebied zo schitterend is... links en rechts torenen boven het regenwoud de besneeuwde bergtoppen en gletschers van de cordillera. We zien enorme watervallen, de hangende gletscher Ventisquero Colgante. De pas in het park, waarop het slechts één dag per drie jaar niet regent, nemen we onder een stralend zonnetje. Overal kwaken boomkikkers, we horen de meest exotische vogelgeluiden... dit is de zuidamerikaanse jungle... dit is regenwoud. Vijf tot tien auto's per dag... twee, drie collega fietsers. Jens en Silke bijvoorbeeld, uit Dresden... twee jaar onderweg en bijna klaar met een rondje over het zuidelijk halfrond. |
| Op weg door het Parque Nacional Queulat. |
| Links: Kamperen met Thomas. Rechts: Jens en Silke uit Dresden. |
| Na negen dagen bereiken we Chaitén en nemen we afscheid van Thomas. Hij fietst verder over de Carretera Austral, wij nemen de ferry naar het eiland Chiloë. Niet nadat we in Chaitén drie dagen hebben moeten wachten op beter weer. Op Chiloë blijven we vervolgens steken in het vissersplaatsje Chonchi vanwege een griepaanval en een plensbui die ruim zestig uur duurt. Daarna gaat het verder noordwaarts. Het landschap is hier anders... weitjes met koeien, houten kerkjes en in iedere baai drijven honderden bassins van de zalmkwekerijen, de booming industry in het zuiden van Chili. We rijden dan inmiddels weer op asfalt en genieten van het mooiste nazomerweer ter wereld. Via Puerto Montt fietsen we het Chileense Lake District in. Eerst naar Puerto Varas aan het Lago Llanquihue. En daar, aan de overkant van het meer, daar zien we hem... de Osornovulkaan! Vraag een kind een vulkaan te tekenen en het tekent de Osorno. Alles aan deze vulkaan klopt... ook vandaag. De vorm, de sneeuwtop en de wolkenkring halverwege de flauwe helling. Fantastisch! |
| Links: Een kerkje op het eiland Chiloë. Midden: Een oude stoommachine die nog tot heel gebruikt is in de houtzagerijen. Rechts: Op weg naar Ensenada, op de achtergrond de Osorno. |
| De rest van de dag verdwijnt de vulkaan niet meer uit ons beeld. Met iedere kilometer die we naar het oosten fietsen wordt het beeld groter. Bij vrijwel iedere bocht die de weg maakt stoppen we om te kijken, om foto's te maken of om van de rest van het landschap te genieten. Dit is opnieuw zo'n superdag. En dat mooie weer houdt niet op. We fietsen heerlijk. Via de noordkant van het Lago Llanquihue rijden we naar Puerto Octay en vandaar via Osorno naar Los Lagos. Op onze kaart hebben we een mooie route ingetekend... via de zuidoever van het Lago Riñihue naar Choshuenco en vandaar via Lican Ray naar Villarrica. Vier meren liggen er op die route... Lago Riñihue, Lago Panguipulli, Lago Calafquén en het Lago Villarrica. Daar willen we de vulkaan gaan beklimmen... 2852 meter hoog en de laatste tijd behoorlijk actief. Maar dat zover is moeten we eerst nog een stukje fietsen. |
| Fuchsia's en Fresia's. |
|
16 maart. Het is grijs wanneer we opstaan. Een dik laaghangend wolkendek. We zien ver, maar niet hoog. Het volgende stuk gaan we lopend verder, totdat we voor een splitsing staan. Eentje die niet op onze kaart staat. Naar rechts gaat een weg omhoog, de berg op. De weg rechtdoor lijkt meer op een pad maar is nauwelijks gebruikt. Twee karresporen verdwijnen na honderd meter in een bamboebos, volledig overwoekerd. En dus beginnen we een kwartier later aan de weg die omhoog gaat. Wat daarna volgt is verschrikkelijk. In bijna drie uur tijd leggen we iets meer dan twee kilometer af en stijgen daarin driehonderdvijftig meter. We duwen onze fietsen over het steile keienpad omhoog in stukjes van vijf à tien meter per keer. We doen één fiets tegelijk. Met een touw dat we aan het stuur gebonden hebben trekt de een terwijl de ander de fiets duwt en stuurt. Zo komen we hoger en hoger, bocht na bocht, meter voor meter. |
| Links: Het laatste stuk van de berijdbare weg, op weg naar de splitsing. Rechts: Het pad omhoog |
|
Omdat er op de splitsing geen water is vullen we in het gat langs de weg onze bidons en waterzakken en beginnen we aan de afdaling. Wanneer Els even later aan komt lopen en me naast de fiets ziet zitten vraagt ze of alles in orde is. Eenmaal terug op de splitsing realiseer ik me dat dit niet op een slechter moment had kunnen gebeuren. We zijn ver weg van de bewoonde wereld. De dichtstbijzijnde fietsenmaker is in Los Lagos, 70 kilometer hiervandaan en het is nog maar de vraag of we ergens in Chili, ergens buiten Santiago, een nieuwe velg van 28 inch diameter kunnen vinden... laat staan eentje voor 48 spaken. Het ziet er dus slecht uit. Dit ongeluk had niet op een slechter moment kunnen gebeuren. Zwijgend eten we ons eten, kruipen in de slaapzak en liggen stil naast elkaar. We zeggen geen woord meer. De volgende dag staan we om zeven uur naast de tent. Terwijl Els van het laatste beetje macaroni, twee bananen en een beetje suiker een ontbijt maakt ga ik aan de slag. |
| Links: Nog een stukje van hetzelfde pad Rechts: Het richten van het voorwiel |
|
Binnen een half uur fietsen we terug naar Fundo Mae en treffen daar een vrouw met drie kleine kinderen die duidelijk alle drie van verschillende vaders zijn. In hun hutje staat een kacheltje en twee bedden... meer niet. Door de planken vloer zien we het gras dat onder het hutje groeit. De armoede is onbeschrijfelijk. En dus staan we een half uur later opnieuw op de splitsing. En beginnen daar voor de tweede keer aan onze weg door het bamboebos... lopend. Tweehonderd meter verderop werken we ons ook door het tweede bos heen. De bramen die zich met het bamboe gemengd hebben striemen in ons gezicht en over onze handen. Na dertig meter duwen en trekken is ook dit voorbij en staan we op een open stuk. Recht voor ons gaat een enkelspoors pad steil omhoog langs de bergwand om na een bocht in het bos te verdwijnen. En weer gaat het omlaag. Niet zo ver nu. |
| Links: Een open plekje in het bos Midden: De eerste brug Rechts: De derde 'brug |
|
En dus gaan we verder. Opnieuw omhoog, opnieuw door dichte braamstruiken, dichte bamboebossen. Nu in de stromende regen. Door het gewicht van het water hangen de takken nu nóg lager. We kunnen niet meer natter worden. Slechts eenmaal eerder in mijn leven was ik zo nat als nu. Dat was toen ik in de Oude Rijn gevallen was en als door een wonder werd gered. Nooit eerder zat ik zo erg onder de krassen en wonden. Nooit eerder was ik zo moe. Aan het eind van een lange steile afdaling zien we eindelijk iets wat op beschaving lijkt. We lopen een vallei in. Vlak terrein en drassig gras. In het weinige zicht dat we hebben zien we koeien lopen. Na een poosje zoeken vinden we een breed stuk van de rivier waar het ondiep genoeg is om naar de overzijde te waden. Het ijskoude water komt tot onze knieën. Eerst brengen we de tassen naar de overzijde en daarna de fietsen. Onze tent staat binnen tien minuten. Onze doorweekte kleding hangen we over onze fietsen met het grondzeil erover. Halverwege de nacht merken we dat we wakker zijn, allebei. We liggen zuchtend op onze ruggen in het donker te staren. De andere ochtend is het schitterend weer. De mist is opgetrokken, de regen gestopt en aan de oostkant van de vallei is het bovenste stukje van de zon boven de bergen zichtbaar. Een half uur later hebben we iets gevonden wat op het begin van een pad lijkt. Meer dan een platgelopen koeienpaadje is het niet maar het is genoeg om het te volgen. Via kleine drassige weitjes en door struikgewas komen we al snel in wat opener gebied. Die twaalf kilometers zijn schitterend. De weg is goed en gaat door de vallei langs een schitterend meer. Niets lijkt meer op de jungle die vijf kilometer achter ons ligt. Op ons dooie gemak rijden we door en genieten van het mooie uitzicht en het weer. We stoppen zelfs af en toe, maken een foto. |
| Links: Aan elke kant van de boomstam hangt een fiets Rechts: Dit bord stond in Choshuenco, aan het andere begin van de weg |
| Twee dagen blijven we op het strandje. Twee heerlijke dagen. Dan rijden we in twee dagen naar Villarrica en logeren daar bij Beat en Claudia Zbinden in hun 'Torre Suiza'. We zijn er om de vulkaan te beklimmen en dus passen we op de ochtend van de 24e maart schoenen, stijgijzers, broeken, jassen en gasmaskers en daarna gaan we op weg. Eerst met een busje naar 1400 meter hoogte. De stoeltjeslift naar moet ons naar1800 meter brengen. Samen met nog twee anderen besluiten wij om de vierhonderd meter lopend te overbruggen... een uur. Een foute beslissing zoals later zal blijken. Deze eerste vierhonderd me ter zijn vooral steil en door het vulkaangruis en de losse stenen erg moeilijk begaanbaar. Wanneer we boven komen krijgen we van de gids een reprimande omdat we te snel gelopen hebben... vijfenveertig minuten. De energie die we hiermee verspild hebben komen we volgens hem straks te kort. Het stuk vanaf 1800 meter is eenvoudiger. Rotsen en ijsvelden. Els gaat erg goed. Ik heb vooral last van hoogtevrees en probeer zo min mogelijk naar achteren te kijken. Wanneer onze gids dat doorheeft moeten we stoppen en dwingt hij me om te kijken. Hij wil weten of ik straks de afdaling wel aankan. Net zoals met veel van dit soort dingen weet ik niet echt of ik het nu fijn of verschrikkelijk vind. Vanaf 2400 meter lopen we alleen maar in de sneeuw. Bevroren sneeuw. Met iedere stap schoppen we een traptrede in de helling die ongeveer 50 graden schuin staat en lopen we langzaam zigzaggend naar omhoog. We rusten twee keer. Kort. Net lang genoeg om even wat te eten, een paar foto's te maken en wat rond te kijken. Nadat ik er aan gewend ben vind ook ik de uitzichten geweldig. Het weer helpt mee want het is een superdag. Een blauwe lucht, een lekker zonnetje en Beneden ons drijven de wolken langzaam voorbij. In de verte pieken bergtoppen als kleine puntige eilandjes uit een witte wolkenzee. Het klimmen op schoenen is moeilijker dan op de fiets en heel pijnlijk. We kunnen duidelijk merken dat we wel een geweldige conditie hebben maar de verkeerde spieren om te 'hiken'. Degenen die dit gewend zijn, die dit vaker gedaan hebben, lopen veel makkelijker omhoog. Ik zie ze nauwelijks aarzelen. De meesten lijken vertrouwd met dit soort schoeisel en het gebruik van ijspickels. En dan komt het laatste stuk, de laatste tweehonderd meter. Lavagruis. Na drieënenhalf uur klauteren komen we boven. Voor het eerst neem ik de tijd om goed rond te kijken. Mooi, mooi, mooi... rondom ons alleen maar bergtoppen en voor ons ligt een gapende krater. Een groot gat met een doorsnede van 200 meter waarvan het lavagesteente op de wanden allerlei verschillende kleuren heeft. Geel, groen, rood, blauw... In een hoek van de krater is een kleinere krater, daaruit komt rook. Prikkende zwaveldamp die op de ogen en keel slaat. Diep beneden, honderdvijftig, tweehonderd meter diep zien we het gloeiende magma. Een rode gloed. We staan boven op de rand van de krater van een actieve vulkaan... 2852 meter hoog. Het is een geweldige ervaring. Ons zoveelste hoogtepunt op deze reis. |
| Tijdens de beklimming van de Villarica en op het randje van de krater. |

Een dag later kijk je dan heel anders naar zo'n berg.
| < Vorige | Volgende > |
|---|
Opnieuw naar Argentinië
| Er liggen weer een aantal hoogtepunten op de route van de komende maand. Zowel letterlijk als figuurlijk want vanuit Santiago de Chile steken we opnieuw de Andes over naar Argentinië. De pas tussen Los Andes in Chili en Uspallata in Argentinië is 3862 meter hoog en tijdens de beklimming hebben we uitzicht op de Acon-Cagua met 6959m de hoogste top van de Andes. Het is te hopen dat we hier nog overheen komen. Als de winter dit jaar vroeg inzet dan moeten we een andere manier zoeken om in Mendoza te komen. Als het wel lukt om fietsend terug te keren naar Argentinië dan wacht ons opnieuw een hoogtepunt: het pelgrimsoord Diffunta Correa in Vallecito, 60 kilometer ten oosten van San Juan. |
![]() |
||



