Na vijf weken in Cartagena eindelijk langs de Darièn
Neerlands Hoop in Panama

Donderdagochtend 17 januari. In de ochtendschemer maakt een houten boot zich los van de vrachtkade in Cartagena de Indios. De open plek die het achterlaat wordt meteen ingenomen door twee andere boten. Zoals eendenkroos een gat in een vijver vult. Het schip draait een paar maal voor- en achteruit en vaart dan weg... de haven uit.
In de baai staat een klein kabbeltje. Een zomerbries op de Westeinder Plas. In de verte zien we de nauwe opening van de baai die toegang geeft tot de Caraïbische zee. Op de landtongen links en rechts staan forten. Dit is de doorgang die de Cartageners met een zware ketting afsloten om te voorkomen dat hun stad 's nachts zou worden ingenomen door de vijand.
Achter ons komt een rode zon op.
Een silhouet van een eiland vol palmen tekent zwart af tegen een paarse lucht. Aan de overkant ligt een roze zandstrand. De eerste pelikanen vliegen richting zee.
Ons fototoestel ligt beneden. Diep weggestopt in een waterdichte fietstas.
Het moment is voor onszelf.
![]() |
| De laatste impressies uit Cartagena de Indios, Colombia. |
|
Buitengaats barst meteen de hel los. Twee uur lang varen we parallel op de Caraïbische golfslag en slingert het schip heen en weer als een kerkklok. Alles kraakt en kreunt. De deklading bestaat uit vaten benzine en grote gasflessen. Dat wat los zit en begint te schuiven of rollen wordt met touwen aan de railing vastgesjord. Eén van de gasflessen verdwijnt met een plons overboord en laat een cirkel wit schuim achter op het donkerblauwe water. Er wordt even gescholden en meteen weer doorgewerkt. Van achter op het schip wordt geschreeuwd. |
![]() |
| De vrachtkade in Cartagena. De deklading van onze boot bestond uit gasflessen en vaten benzine. |
|
Actie! Twee dolfijnen springen onze wereld binnen. Twee levensgrote Flippers. Een paar maal springen ze hoog boven de golven uit en daarna nemen ze hun bekende plekje voor de boeg in. Links, rechts... dan weer volledig uit het water, dan weer links dan weer rechts. We willen foto's nemen maar wat zo eenvoudig lijkt is een kwestie van geluk. Het gaat gewoon veel te snell. En voor dat we het weten zijn ze weer verdwenen. Iedereen is stil. De bemanning probeert te doen alsof het voorval de gewoonste zaak van de wereld is geweest en dat iedereen zijn zaakjes voor elkaar en onder controle had. Wij weten wel beter. We hebben het gezicht van de kok gezien toen hij ons de reddingsvesten gaf. We hebben gezien hoe de kapitein op de vloer van de stuurhut ging zitten om niet om te vallen en zich verder nergens mee bemoeide. We hebben gezien hoe ver de ketting tussen de lading verstopt zat en hoe moeilijk het was om de breuk te vinden. We hebben het kraken van de spanten gehoord. En dan nog was dit schip het beste van alles wat in Cartagena aan de kade lag. Thomas staat aan de houten railing en wenkt me om te komen kijken. Het eiland heet Isla Fuerte en is twee kilometer lang en een paar honderd meter breed. Rond de baai aan de zuidkant van het eiland staan een tiental hutten. Er is een radiomast en er klinkt muziek. |
![]() |
| Voor anker in de baai bij Isla Fuerte en de onfotografeerbare Flippers. |
|
Midden in de nacht worden we door de motor gewekt. Terwijl het anker gelicht wordt proppen we onze slaapzakken in de tassen en juist wanneer we de trap af gaan naar het benedendek stoomt het schip de baai uit. Dan.. . opeens... valt de motor stil. "There's land over there" We zitten op een boomstronk op een pleintje in Zapzurro, het laatste Colombiaanse dorp in de Darièn Gap, en kijken uit over de Caraïbische zee. Helblauw water met een prachtige surfbranding. Achter ons steekt een steile groene wand de lucht in. Ruige bergen die volledig overwoekerd zijn met een ondoordringbare jungle. Op een smal re epje wit zand aan de voet van die bergen ligt een dorp, ingeklemd tussen de zee en het oerwoud. Vijftig hutten, beslist niet meer. Op het strand, tussen de cocospalmen, liggen een paar uitgeholde boomstammen. Twee mannen maken vis schoon. Aan de scheve steiger bij het missiegebouw schommelt de sloep met onze fietsen en bagage. Hiermee gaan we later op de dag - misschien - naar Puerto Obaldía, de eerste militaire post in Panamá. Anderhalf uur varen naar het noorden. Aan de zijkant van het plein gaan vier jongetjes volledig op in een potje knikkeren. Sinds ze zijn begonnen - ruim een uur geleden - proberen we de regels van hun spel te doorgronden. Vooralsnog vergeefs. Er is niets dat lijkt op het knikkeren dat wij uit onze jeugd kennen. Alles is anders. Zelfs het eind. Hier is geen winnaar. Niemand neemt de pot. De verliezer toont een gesloten vuist aan de andere drie. Die werpen hun knikkers tegen zijn knokkels. Hard... pijnlijk. Hier telt de kunst van het niet verliezen. Vanuit de schaduw onder een van de bomen kijkt een jongen dromerig toe. "Zie je dat? Hij is aan het knikkeren met die jongetjes" We stappen in de sloep en varen weg. Op het eind van de steiger staat een jongen. In z'n broekzak heeft hij twee biljetten van tien dollar en onze laatste Colombiaanse pesos. Nog éénmaal zwaaien we. Dan klimt de boot de branding op. Drie enorme klappen en we zijn op zee waar een snoeiharde wind de golven huizenhoog opwaait. |
![]() |
| Knalblauw water en surfgolven... op het strand, tussen de cocospalmen liggen een paar uitgeholde boomstammen. |
|
De sloep rondt twee rotsen en vaart dan een kalme baai in waar nauw elijks branding is. Aan de rechterkant, in de luwte van een bergkam ligt een klein dorpje. Een paar houten huizen, wat hutten met rieten daken, een radiomast... een landingsstrip... Puerto Obaldia, Panama. Links gaat de ongereptheid van de Darièn verder naar het noorden. Op het kiezelstrand maken we met een paar localo's een doorgeefketting naar de sloep en brengen de spullen aan land. Op de binnenplaats van de politiepost wordt alles doorzocht. Iedere tas moet open, ieder plastic zakje, ieder doosje, álles wordt bekeken. Melkpoeder, groente en fruit wordt in beslag genomen. En dan schrik ik. De volgende dag maken we kennis met Karl. Een jonge bioloog die genetisch onderzoek doet op ratten. Hij is in de Darièn om een para exemplaren van Tomes Spiney Rat te vangen. Omdat hij daar vanochtend al in geslaagd is heeft hij tijd over. Tijd om samen met ons een bezoek te brengen aan Armila, een dorp met Kuna-indianen op twee loopuren afstand van Obaldia. Twee uur door de jungle. |
![]() |
| Kuna indianen in Armila versieren hun benen met prachtige banden. |
![]() |
| Els onderhandelt over de prijs van een mola. |
![]() |
| Prachtig borduur- en patchwerk. Terwijl Karl getatoeëerd wordt krijgt een meisje gaatjes in haar oren... met naald en draad. |
| Het dorp bestaat uit een verzameling rieten hutten en twee betonnen gebouwen. Het eerste is de school en is dicht vanwege vakantie. Het tweede in het 'centro de salud' en is ook gesloten omdat de dokter slechts één maal pe r week spreekuur heeft. Een groep jongetjes volgt ons op onze wandeling door hun dorp. De brutaalsten lopen het dichtstbij en proberen heel gewichtig onze taal na te brouwen. Anders dan in Afrika zijn deze kinderen niet opdringerig, zeuren ze niet om geld, om snoepjes of balpennen. Ze zijn rustig en leuk. Op een binnenplaats van één van de hutten laten een paar vrouwen zien hoe een 'mola' gemaakt wordt. Twee of meer lappen stof - afkomstig uit de voorraden van de Amerikaanse humanitaire hulp - worden op elkaar gestikt. Daarna wordt met een scherp mesje een afbeelding in de bovenste laag gesneden. Wanneer er meerdere lagen zijn ook in de lagen eronder. De voorstellingen zijn die van de wereld waarin de vrouwen leven. Afbeeldingen van dieren... vlinders, leguanen, vissen. De lagen stof die erachter zitten worden in de afbeelding vastgestikt, met minuscule steekjes in dezelfde kleur garen als de stof van de bovenlaag. Met het blote oog is nauwelijks te ontdekken hoe deze techniek werkt. Andere laagjes worden er weer opgenaaid. Het resultaat is verbluffend. In één van de hutten wordt een maaltijd voor ons gekookt, bij een meisje van een jaar of negen worden met naald en draad gaatjes in het oor geprikt, onze gids ligt lui in een hangmat en Karl laat zich tatoeë ren. Net wanneer we willen gaan eten schiet de jongen wakker. Hij wijst op z'n horloge en vindt dat we meteen terug moeten wanneer we nog op tijd in Obaldia willen zijn. Zijn haast verdwijnt wanneer hij merkt dat er ook voor hem een bord klaar staat. Met dezelfde luiheid als waarmee hij de hele middag in z'n hangmat gelegen heeft eet hij z'n bord leeg. Tergend langzaam. Twee uur later, op de kazerne, krijgt hij een geweldige uitbrander en vragen wij onszelf af of deze indianen zich wel realiseren dat zij degenen zijn die hier het recht van spreken hebben en dat ze zich niet hoeven te laten schofferen door de eerste de beste oetlul met i.q. van 82 en een machinepistool. |
![]() |
| Tranen , tranen... overal kinderleed. |
![]() |
| Karl Gruber, bioloog voor het Smithsonian Institute, met een exemplaar van Proechimys Jemispirosus (Tomes Spiny Rat) - Els met een Iguana Iguana (eng groen beest). |
|
Donderdag 24 januari. Onze laatste dag in Puerto Obaldia. We staan op, eten een paar gortdroge broodjes en pakken in. Primitiva Luna vraagt ons naar haar kantoortje te komen om onze bagage te laten wegen. Een oude man komt na veel gereken tot 205 libra's, engelse ponden. 25 pond per persoon mogen we meenemen. Voor de rest moet betaald worden. 25 dollarcent per pond. Voor ons betekent dat bijna 39$. Het vliegtuig is twee uur te laat maar landt voorbeeldig. Onze spullen gaan er zonder problemen in en we krijgen een prachtig plekje... recht achter de twee piloten. De deur gaat dicht, motoren worden gestart en langzaam rollen we naar het begin van de airstrip.. |
![]() |
| Een oude man weegt onze spullen, het wordt ingeladen, we krijgen een plekje achter de piloten en dan... |
![]() |
| ... vlak voordat het toestel de zee in rijdt komt het los... |
| < Vorige | Volgende > |
|---|










