Semana Santa in het grensgebied tussen Honduras en Guatemala
Todo por la religión

We zijn nog steeds in Centraal Amerika. In de bijna drie maanden die we nodig hebben om van Panama naar Guatemala te fietsen gebeurt er niet bijster veel. Het landschap gaat op en neer, overdag brandt de zon en 's nachts zoemen de muggen. Het fietsen over de smalle vluchtstrook van de Panamericana is oninspirerend en niet ongevaarlijk. Tussen de dieselwalmen van het vrachtverkeer loeren moordlustige buschauffeurs. Daar waar we de kans krijgen om dit te omzeilen verlaten we de snelweg en kiezen we voor de veel mooiere maar vaak lastige omwegen door het binnenland... zo ook de afgelopen maand.
Vanuit Tegucicalpa, de hoofdstad van Honduras, gaat de snelweg richting San Pedro Sula meteen steil onhoog. Zevenhonderdvijftig meter klimmen in vijftien kilometer. Dat is niet het ergste. Vervelender is de smog van de miljoenenstad en de uitlaatgassen van het verkeer. Nóg vervelender is het dat we in een korte en steile afdaling weer teruggaan naar onze oorspronkelijke hoogte en vervolgens opnieuw moeten klimmen. Eerst negen kilometer naar Zambrahano en vervolgens nog zes naar de pas. Opnieuw bijna achthonderd hoogtemeters in vijftien kilometer. De thermometer geeft 41°C aan en alles is drijfnat van het zweet.
De weg is gelukkig prima. Goed asfalt, een brede vluchtstrook en na de pas worden we getrakteerd op een geweldig uitzicht over een mistig wijds landschap. Mooi, maar onmogelijk te fotograferen.
De volgende ochtend dalen we de vallei in. Zoevend asfalt waarop we snelheden van zeventig kilometer halen. Twee uur lang doen we geen trap en dan staan we plotseling op de afslag naar La Paz. Op de hoek staan een paar barakken waar vier bleke tieners bezig zijn een oprit aan te leggen.
"Amerikanen... wedden?"
"Waarom denk je dat?"
"Zo ontzettend wit zijn alleen de echte gringo's".
"Peace Corps Workers?"
"Daar zijn ze te jong voor denk ik".
We stoppen en maken een praatje. Het blijken High School Volunteers uit de staat Arkansas die hier één week van hun paasvakantie opofferen aan vrijwilligerswerk in een katholieke missiepost. Terwijl we staan te kletsen komt een grijzende man nieuwsgierig dichterbij. Het zwart-witte kraagje verraadt zijn zwevende positie tussen Go d en de wereld. De uitgestoken hand is zacht en vochtig.
Hij stelt zich voor als David en vertelt ons in een paar zinnen wat hij hier doet... jeugdwerk met zowel ontspoorde jeugd uit de hoofdstad als met de volunteers uit de VS.
Omdat hij hier al drie jaar woont vragen we hem welke route de beste is om vanaf het punt waar we staan naar Copán Ruïnas te komen. Er zijn meer wegen naar Rome... verrassend genoeg blijkt er naast de drie waartussen wij niet kunnen kiezen nog een vierde weg te zijn.
"You go left here, to La Paz... then to Utula... Marcala... la Esperanza... Gracias... Santa Rosa... Copán. It's a beautiful ride trough hills which are full with coffee plantations... it's not too steep and paved almost all the way. I recommend this road!"
"Thank you!"
"God bless you... vaya bien!"
Een uur later zitten we op het plaza van het dorp La Paz, drinken een cola en worden verscheurd door twijfel. De eerste tien kilometer na de kruising waren inderdaad nagenoeg vlak maar aan het eind van de weg voor ons, net buiten de randen van het dorp, pieken vervaarlijk steile bergen.
"Die pater..."
"Wat is daar mee?"
"Volgens mij verzon die maar wat".
"Hoe bedoel je?"
"Nou... of deze route naar Copán wel zo makkelijk is... vergeleken met die andere drie".
"Dat zullen we nooit weten".
"Waarom niet?"
"Omdat we die andere routes nooit zullen fietsen. We zullen het dus nooit met elkaar kunnen vergelijken".
"Ik kreeg niet het idee dat de pater wist waarover hij sprak. Het leek erop alsof hij zomaar iets uit zijn duim zoog".
"Iets uit je duim zuigen mag niet van God. Dat is hetzelfde als liegen. Van een pater mag je dus aannemen dat hij de waarheid spreekt".
In een almacen kopen we een prachtige sombrero. Een soortgelijke hoed als degene die vrijwel iedere Hondureño op z'n hoofd heeft. Dan rijden we het dorp uit en de bergen in, richting Utula. We stijgen van 400 naar 1400 meter, dalen weer af naar 800 en klimmen vervolgens naar 1800. Wanneer we bevend van vermoeidheid op het kruispunt bij Utula aankomen blijkt dat de weg naar Marcala rechtdoor gaat en dat het dorp linksaf en vierhonderd meter lager ligt aan het eind van een ongeteerde weg vol haarspeldbochten.
We vervloeken de pater en liften vervolgens in een vrachtwagen naar Marcala. In anderhalf uur tijd leggen we de dertig kilometer af. Een adembenemende rit met twee passen boven 1700 meter en een afdaling naar 1100. Een op de meeste plekken onfietsbaar steile weg door een bergwereld waarin elke vierkante meter volgeplant is met koffiestruiken.
In ons 'Central America Handbook' staat onder Marcala (population: 10770, altitude: 1300); Visit 'Comarca: at the entrance to town, to get a good idea of how coffee is processed.
Na een nacht in een rumoerig hotel parkeren we onze fietsen bij de poort van het complex en vragen bij de vigilante om de beloofde rondleiding. Dat blijkt niet zo simpel als de schrijver van de reisgids ons wil doen laten geloven. Het mannetje blijft lui op zijn stoel hangen, speelt met een balpen en verzint allerlei excuses om ons de toegang tot de fabriek te weigeren. Het is te vroeg, te druk, de rondleider is ziek, er is niemand anders die vandaag zoiets kan doen, de drirecteur is er niet, het kost tien dollar, er is fabrieksgeheim, het is nog nooit gebeurd... er zijn - kortom - wel véértig redenen waarom de man liever in zijn hokje blijft zitten niksen.
"Pero... nosotros viajamos por dos años a bici... de Holanda a Honduras... solo por visitar esta empreza... y mi tio es Don Kanis en Gunnik, el viejo".
Dat helpt.
De man spelt onze gegevens in zijn walkie-talkie... wacht even en knikt ons vervolgens geruststellend toe.
"Espera aqui..."
"Gracias!"
Even later maken we kennis met Pablo. Een leuke man van een jaar of veertig die ons meeneemt naar het begin van het terrein, daar waar de trucks en vrachtwagens hun lading rode koffiebessen in de stortkuil kiepen. In anderhalf uur tijd worden we vervolgens rondgeleid over het complex en zien we hoe de bonen uit de bes worden gekneusd, gewassen, gefermenteerd, gedroogd, ontdaan van het vliesje, opnieuw gedroogd en vervolgens worden gesorteerd. Stuk voor stuk.
Met de hand.
Aan lange tafels zitten tientallen meisjes die allemaal een bergje groene koffiebonen voor zich hebben. Ze verdelen dat in drie nieuwe bergjes.
Afval.
Gewone kwaliteit.
Marcala-export kwaliteit.
Want niet élke koffieboon mag zich een Marcala koffieboon noemen.
![]() |
| Op ieder dak van ieder huis worden koffiebonen gedroogd om daarna aan de coöperatie te worden verkocht. De grote bulk van de koffie-oogst komt als bes de fabriek binnen. Rode bessen waarin twee bonen zitten |
![]() |
| Aan lange tafels zitten tientallen meisjes die allemaal een bergje groene koffiebonen voor zich hebben. De beste bonen worden in jutezakken verpakt en geëxporteerd naar Europa. Een klein deel wordt in de fabriek zelf gebrand... 600 pakken per week. |
|
"Ongelofelijk... wát een geweldig karwei!" Later die ochtend rijden we op een onverharde weg richting La Esperanza. Volgens de mannen van de koffiefabriek is het een weg van goede kwaliteit en zijn er nauwelijks 'subidas'. Er zijn er natuurlijk wel... maar ze zijn niet steil... echt niet. Ons water raakt op en we stoppen bij een kleine boerderij. Een open stal en een klein huis op de flank van een berg met een geweldig uitzicht. Het huis is een bouwval en de eerste bewoning die we zien sinds we Marcala hebben verlaten. Het gras op het weitje is kort, er staan prachtige bomen en tussen de bloeiende struiken vliegen kolobri's. De plek is idyllisch. Twee honden liggen lui te zonnen en blaffen niet wanneer we het erf opkomen. De jongste van de twee staat op en komt kwispelend op ons af. |
![]() |
|
We rijden op een onverharde weg richting La Esperanza en drinken een cafecito bij twee oude mensen. Hij heeft vier kinderen... zij twee. Na een half uurtje nemen we afscheid en gaan we verder. Bij het hek kijken we nog een keer om. In de deuropening van het huis staan ze naast elkaar naar ons te zwaaien. Misschien hadden we er allebei wel willen blijven. Er was een prachtige kampeerp lek en er was water. Het was één van die plekken waar we nooit meer zullen komen. Eén van die plekken die door de tijd gewist gaat worden. San Juan is een klein dorp op een kruising van wegen. Van hieraf zou de weg naar Gracias geasfalteerd moeten zijn... volgens ons Central American Handbook. |
![]() |
|
Behalve koffie wordt er in het westen van Honduras ook tabak geteeld. Langs de weg bieden de boeren hun handgerolde sigaren te koop aan... vijftig stuks voor zeventig Lempira's. We overnachten in Gracias, een heel aardig dorpje dat ingesloten ligt door een stuk of wat hoge bergen. Drie kerken domineren het beeld van de stad. In de straten opvallend veel mannen met sombrero's. Veel meer dan in de andere plaatsen waar we de afgelopen dagen door zijn gefietst. Veel van de mensen hebben indiaanse trekken in het gelaat. De vrouwen zijn klein van stuk, gedrongen en schuchter. De volgende dag bereiken we ons reisdoel. .. de ruïnes van de Mayatempels bij het plaatsje Copán. Het stadje is gelukkig niet half zo toeristisch als we gevreesd hadden dat het zou zijn. Er zijn hotelletjes en de gebruikelijke hoeveelheid souvenirwinkels maar de straten zijn leeg. Het is stil en rustig. In de twee daaropvolgende dagen storten we ons in de Maya-wereld. We bezoeken het museum op het plaza van Copán en zien er de onvermijdelijke verzameling potscherven en pijlpunten. We lopen er in een klein uur doorheen en zijn aan het eind niet veel wijzer geworden. Terug op weg naar het dorp eten we in een pupuseria. Pupusa's blijken kleine pannekoekjes die gemaakt zijn van een maïs/aardappeldeeg en gevuld met een puree van bonen en kip, bonen en vlees of van alleen kaas. Smakelijk. De volgende morgen vroeg wandelen we naar de ruïnes. Zó vroeg dat we er een uur lang de enige bezoekers zijn. |
![]() |
![]() |
|
Pyramides en door de tijd aangetaste stenen beelden. Grijze stenen in het groen. Door de replica van de Rosalila tempel krijgen we een betere indruk van hoe de werkelijkheid er twaalfhonderd jaar geleden moet hebben uitgezien. We slenteren langs de stelae en de pyramides. We proberen ons een indruk te maken van het vreemde balspel dat de maya's hier speelden en we zijn toch wel verbaasd over 'het werk'... over hoeveel werk het geweest moet zijn. Drie uur later zijn we 'klaar'. We hebben allebei pijn in de rug van het slenteren en zien niets meer wat we nog niet gezien hebben. Bovendien komen dan de eerste grotere groepen het complex opgesjokt. Groepen die voorafgegaan worden door een man met bamboestokje waarop een papegaaienveer is gestoken... de gids. De volgende dag, net na het passeren van de grens met Guatemala, worden we ingehaald door Ted Simon. Hij steekts z'n hand op, houdt even in en schreeuwt iets onverstaanbaars. |
![]() |
|
Even later zitten we met z'n drieën in de berm te kletsen. Ted blijkt de schrijver van 'Jupiters Travels', het boek dat bij iedere motorreiziger naast 'Zen en de kunst van het motoronderhoud' op de plank staat. Tien kilometer verderop eten we een prima maal onder een afdak bij een warmwaterbron. We delen het gezelschap van een groepje localo's die hier bier drinken terwijl hun kinderen in het water spelen. Het is Semana Santa. Iedereen heeft vrij, is vrolijk en deelt tijd met familie. |
![]() |
|
In het midden van een menigte draagt een groepje mannen een baar waarop een wanhopig kijkende Jezus het kruis torst. Op Goede Vrijdag rijden we door San Juan Ermita, een klein plaatsje met een aardige kerk. We stuiten we op een vreemd fenomeen. In de straten maken de mensen alfombra's - fleurige tapijten van gekleurd zaagsel, bloemen en bladeren - waar later vandaag de processie overheen gaat. |
![]() |
| De Alfombra's van Quetzaltepeque. Iedere wijk heeft z'n eigen motief en thema en sommige tapijten zijn meer dan een kilometer lang. |
![]() |
|
Misdienaartjes zwaaien met wierookvaten, een vrouw heft een dramatische klaagzang aan en een blaasorkest speelt vals en uit de maat. Achter de baar duwt een boer een oude kruiwagen voort. De volgende dag gaat het opnieuw zwaar op en neer en ook dan is het stinkend warm. Net zoals de laatste dagen rijden we ook nu weer in een prachtige omgeving. Ruige bergwereld, droog en stoffig. Tussen de bussen rijden ook tientallen 'wielrenners'. Jonge mannen op met kerstversiering opgetuigde fietsen. Fietsen die er uitzien als racefietsen maar het niet zijn. Het zijn gewone fietsen waarop een race-stuur is gemonteerd. Wanneer er een groepje langs de kant staat - met pech - leren we dat ze het doen 'por la religión'. Ze zijn op de fiets van huis gegaan naar Escuipulas, hebben daar Semana Santa doorgebracht, op het plein voor de basiliek, en zijn nu op de terugweg naar La Ciudad. Wanneer ze doorfietsen zijn ze over twee dagen thuis. 'Todo por la religión'. |
![]() |
|
Wielrenners op fleurig opgetuigde fietsen, versierde bussen.... de pelgrimstocht naar de Zwarte Jezus in de basiliek van Escuipulas. Wat verwachten we eigenlijk van Escuipulas? Een klein bergdorp... een kerkje... een beeldje met een zwarte Jezusfiguur... een rij wachtende mensen... niets meer. |
![]() |
| Rond de basiliek een immense markt met souvenirverkopers. Een beeld dat schreeuwt om tempelreiniging. |
In de basiliek hangt een allesoverweldigende parafinewalm. Het plafond en de wanden zijn zwart van het roet en de schilderijen onherkenbaar. Overal worden kaarsen gebrand... op de vloeren, op de banken, op ieder uitstekend stuk steen... overal. Intussen schrapen mannen in overals met spatels het kaarsvet van de vloeren. De wachtrij naar de niche waarin de zwarte Jezus te bezichtigen is schatten we in op een kleine drie uur. Verbijsterend. We wandelen over de markt. Alles is er te koop. Crucifixen, Mariabeeldjes, schilderijen van het laatste avondmaal... alles. En naast de kerk staan monikken klaar met een emmer water en een kwast om alle gekochte rimram van een door de kerk goedgekeurde zegening te voorzien. Er is de parkeerplaats met auto's. De motorkappen geopend en de boekjes van de gebruiksaanwijzing liggend op de grond er voor. Ook hier lopen de monniken af en aan om alles te zegenen... wielen, stoelen, stuur, motor, boekjes. Alles krijgt een plens water. Naast de auto's staan de eigenaar... met een paar geldbiljetten. In de gebuikelijke stalletjes worden loterijbriefjes verkocht... en ook die kunnen ingezegend worden. Alles is verbijsterend. |
![]() |
|
In de basiliek hangt een allesoverweldigende parafinewalm. Daarnaast is een prachtig kerkhof waarop in pastelkleuren geschilderde kapelletjes staan. De volgende dag verlaten we Escuipullas, fietsen de grens over naar El Salvador en rijden in de richting van Santa Ana. Even ten noorden van de stad passeren we een vuilnisbelt. Een enorme berg stinkend en rokend afval waarop tientallen mensen lopen die zoeken naar het allerlaatste wat nog buikbaar is. Vrouwen en kinderen met plastic zakken op hun rug porren tussen het rokende vuil. Honden graven naar iets eetbaars. Langs de randen staan hutten. De stad ligt tien kilometer verderop. Op het eerste gezicht is het een Spaans aandoende stad met een bizarre Neo-Gotische Kathedraal. De straten en stegen in de binnenstad zijn nauw. De huizen met terracotta dakpannen zijn laag en er is opnieuw veel, heel veel armoede en dronkenschap. Veel dronken mannen die op straat hun roes uitslapen. Er ligt een krant in onze kamer. Israël is in oorlog met het Palestijnse Terrorisme en vernietigt het hoofdkwartier van Arafat. In El Salvador is Semana Santa dit jaar iets rustiger verlopen dan vorig jaar... 118 doden slechts. 57 in het verkeer, 61 door geweld. Twee jongens komen de binnenplaats op. Tieners nog... in schoolkleding. Eén gaat er met Carmen mee naar achteren. De ander koopt een Pepsi, gaat naast ons op de veranda zitten en staart voor zich uit. |
![]() |
![]() |
|
Onderweg in El Salvador. Terug in Guatemala fietsen we naar het Lago Atitlán waar we drie dagen uitrusten in het plaatsje San Lucas de Tolimán aa de noordkant van het meer. Het dorp ligt aan het eind van een langwerpige baai en biedt geen uitzicht over het meer zelf. De drie vulkanen gaan schuil achter een dik wolkendek. Voor ons is het een ideale plek om even uit te rusten. |
![]() |
|
Straatbeeld in San Lucas de Toliman. De afdaling naar Panajachal is prettig. In zeventien kilometer dalen we de zeshonderd meter af en doen dat in een heel rustig tempo. Els heeft girardia. Volgens de dokter in het Centro de Salud wijst alles er op. De man is zó zeker van zijn zaak dat hij de stoeltest van het meegebrachte fotobusje diaree niet nodig vindt. Panajachel bestaat eigenlijk uit twee paralelle straten van aan elkaar gebouwde souvenirwinkels, restaurants, hostals en hospedajes, internetcafé's en touroperators. Aan randen van die straat hebben verkopers hun koopwaar uitgestald. |
![]() |
![]() |
|
Originele indianenmaskers, sombrero's, speelgoed en geestenverdrijvers... producten voor de toeristenindustrie. Ook onze gastheer werkt hard mee... het naaien van een indianenbroek levert 4 Quetzales op. Zo erg als Panajachel is, zo prettig is de beroemde markt van Chichicastenango. Tot onze grote verbazing beslaat het toeristengedeelte slechts een klein deel van de markt en blijkt het overgrote andere gedeelte een échte markt te zijn waar de indianen uit de bergen in de omgeving van het dorp wel degelijk hun inkopen doen. |
![]() |
![]() |
|
Marktdag in Chichicastenago. Een wierookoffer op de trappen van El Calvario, vrouwen in traditionele klederdracht en drie muzikanten. Twee agen later arriveren we in Antigua, de hoofdstad van Guatemala totdat in 1773 vrijwel de gehele stad door een aardbeving verwoest werd. De ruïnes van de grote koloniale kerken domineren het stadsbeeld, de brede straten zijn met keien geplaveid en de huizen zijn allemaal in fleurige pasteltinten geverfd. Ondanks de grote hoeveelheid (vooral Nederlandse) gringo's ervaren we de stad als een prettige plek. Overdag is er nauwelijks een gringo te zien. De meesten van hen komen in Antigua om er een cursus Spaans te volgen in een van de ruim zeventig 'Language Schools'. Vandaar dat er overdag nauwelijks een toerist te bekennen is. 's Avonds bruist het centrum van leven. Burger King, Pizza Hut, Campero en MacDonalds zitten vo l en in de internetcafé's is het geduldig wachten op een vrij scherm. |
![]() |
|
Links: Uitzicht over het Lago Atitlán vanaf de bocht bij Godinéz. San Antonio Palopó ligt ruim 600 meter lager. Na bijna drie maanden in Centraal Amerika te hebben rondgefietst ervaren wij Guatemala als een geweldig land. Na het betrekkelijk saaie Panama en Costa Rica, het armoedige Nicaragua, El Salvador en Honduras hebben we voor het eerst sinds lang weer plezier in het fietsen. Het landschap is indrukwekkend, de kleuren prachtig en het eten prima. Het grootst deel van ons plezier ontstaat echter door de opgewektheid van de bewoners van het land. Niemand zeurt... iedereen lacht. |
| < Vorige | Volgende > |
|---|




















