
Duivelse
kanker
Een vreemde vorm van kanker heeft het aantal
Tasmaanse duivels in tien jaar gehalveerd. De ziekte wordt vrijwel
zeker op een unieke manier overgedragen: doordat losse kankercellen van
dier naar dier verhuizen wanneer ze elkaar bijten.
Tot 1936 was de Tasmaanse tijger, een
gestreepte vleeseter ter grootte van een wolf, het grootste
buidelroofdier ter wereld. Omdat de ‘tijger’ is uitgeroeid, kan de veel
kleinere Tasmaanse duivel nu met die eer strijken. Dit vijf tot twaalf
kilo zware beest dankt zijn naam aan zijn donkere vacht, zijn
bloedstollende gekrijs en zijn agressieve gedrag. De dieren jagen ’s
nachts op alles waar vlees aanzit en zetten hun tanden ook graag in
kadavers. Die kun je op Tasmanië soms al van verre horen liggen, want
er komen meerdere duivels op af, die luidruchtig twisten om de buit.
Maar hun rauwe kreten worden steeds minder
gehoord. In tien jaar tijd is het aantal duivels gezakt van 150 duizend
naar ongeveer de helft daarvan. De dieren sterven massaal aan grote
kankergezwellen die hun gezicht misvormen. In 1996 werd voor het eerst
een Tasmaanse duivel gefotografeerd met zo’n lelijk gezwel. Het leek
toen een incident, maar tegenwoordig is deze vorm van kanker
doodsoorzaak nummer één onder de dieren. Ze worden gemiddeld nog maar
twee jaar oud, terwijl dat vroeger een jaar of vijf was.
Wat veroorzaakt al die gezwellen? De
verdenking ging eerst uit naar een virus, maar hoe goed onderzoekers
ook speurden, dat werd niet gevonden. Het vermoeden rees, dat dit een
heel bijzondere vorm van kanker zou kunnen zijn, eentje die zich door
de overdracht van losse kankercellen verspreidt. De Tasmaanse
onderzoekers Anne-Maree Pearse en Kate Swift leveren in het tijdschrift
Nature van januari 2006 verder bewijs voor die theorie.
Ze hebben de kankercellen van elf Tasmaanse duivels bestudeerd. Zoals
bij kanker altijd het geval is, hadden die afwijkende chromosomen in
hun kern. Van de veertien stuks die normale cellen bij deze diersoort
hebben, was er zelfs niet één onveranderd. Sommige chromosomen
ontbraken helemaal, de geslachtschromosomen bijvoorbeeld, terwijl
andere sterk ingekort of vervormd waren. Het was, kortom, een zootje in
de kankercellen. Maar wel steeds exact hetzelfde zootje, en dat was
raar.
Als
de kanker in ieder ziek dier opnieuw uit gezonde cellen ontstaan was,
zou er veel meer variatie in de tumorcellen zitten. In kleine,
beginnende gezwellen zou je bovendien een minder chaotische set
chromosomen verwachten dan in grote, omdat kankercellen tijdens de
groei van een gezwel doorgaans geleidelijk verder ontsporen. Dat was
dus niet was de onderzoekers vonden. Klein of groot, mannetje of
vrouwtje, in ieder gezwel waren de kankercellen identiek. Dat wijst op
een gezamenlijke oorsprong.
En er was nog een aanwijzing. In de gewone
lichaamscellen van één van de dieren vonden Pearse en Swift een unieke
genetische afwijking. Die was in al zijn cellen aanwezig, behalve in de
kankercellen. Blijkbaar waren dat dus niet zijn eigen lichaamscellen,
maar parasitaire cellen van een soortgenoot. Hoe het kan dat zulke
vreemde cellen niet worden opgemerkt door afweercellen, is nog een
raadsel. Over het afweersysteem van deze dieren is sowieso nog weinig
bekend.
Helemaal uniek is deze vorm van
ziekteoverdracht overigens niet. Vorig jaar werd ontdekt dat bij honden
iets dergelijks voorkomt. Zij kunnen kankercellen herbergen die bij
seksueel contact, likken of snuffelen hun kans grijpen om een volgende
slachtoffer binnen te dringen. Bij de duivels speelt seks ook een
belangrijke, maar indirecte rol. Vooral aan het einde van haar
vruchtbare periode bijt een vrouwtje de mannetjes letterlijk van zich
af. Cellen van een tumor in het gezicht kunnen zo gemakkelijk in een
bijtwond terechtkomen en dan uitgroeien tot een nieuw gezwel. Ook de
agressie tijdens de maaltijd kan de ziekte verder verspreiden, want
voor de duivels geldt: hoe hongeriger ze zijn, hoe feller ze van zich
afbijten. En een flink doorgegroeide tumor maakt hongerig, want eten er
wordt steeds moeilijker door.
Hoe moet het nu verder met de duivels? Zonder
maatregelen ziet het er somber uit, maar er kan wel degelijk iets
gedaan worden om de opmars van de ziekte te stoppen. Nog niet overal op
Tasmanië komen de tumoren voor. Als de ziekte zich inderdaad direct via
de overdracht van kankercellen verspreidt, zou wegvangen van zieke
dieren de uitbraak kunnen stoppen. Voorlopig is dat een te grote klus,
en werkt de overheid andersom: er zijn extra gezonde dieren gevangen,
die in strikte afzondering gehuisvest worden. Mocht de kanker alle in
het wild levende duivels eronder krijgen, dan kunnen ze opnieuw worden
uitgezet.
Tekst: Elmar Veerman
Foto's: Wayne McLean.
|