Er
was eens...

Van
alle dansvoorstellingen die in Ubud gegeven worden is de Kecak waarschijnlijk
de bekendste. In de Kecak zijn meer dan honderd dansers op het toneel. Een
grote groep mannen (zij beelden de apen uit) zitten met ontbloot bovenlijf en
in een zwart-wit geruite sarong, in een kring. Met ritmische
‘tsjakketsjakketsjakketsjak’ en andere geluiden begeleiden zij het verhaal dat
de 12 hoofdrolspelers op de open plek in het midden vn de kring uitbeelden.
Wat
veel mensen niet weten is dat deze dans niet eens zo oud is. Het is pas in de
jaren dertig van de vorige eeuw ontstaan in het dorp Bona, vlakbij Gianyar in
het oosten van Bali. Het verhaal is een van de vertellingen die aan het eind
van de negentiende eeuw door Bagawan Walmiki, een Hindustaanse auteur, zijn opgeschreven
in de Ramayana.
Net
als alle sprookjes gaat het ook hier over het eeuwige conflict tussen het goede
(Dharma) en en kwade (Adharma) in de mens. In dit geval wordt het goede
gesymboliseerd door prins Rama en zijn vrienden. Het kwade door de boze koning
Rahmana en zijn handlangers.
Er
was eens...
Het
koninkrijk Alenka wordt geregeerd door een reusachtige tiran, de in- en
in-slechte Rahwana en zijn handlanger, de minstens zo doortrapte eerste
minister Marica. Terwijl de inwoners van het land zuchten onder de knoet van
deze twee boosdoeners leeft de echte troonopvolger, prins Rama, samen met zijn
geliefde prinses Sita en zijn jongere broer Laksamana, in ballingschap tussen
de apen in een bos vlak bij de berg Nadanka.
|
Prins Rama.
|
|
Laksamana, de jongere broer van Rama..
|
|
De boze koning Rahwana
|
|
De mooie prinses Sita.
|
De
boze Rahwana, koning van alle duistere machten, heeft echter niet genoeg aan
het koninkrijk van Rama. Hij heeft ook zijn zinnen gezet op de gunsten van de
mooie prinses Sita. Daartoe verzint hij, samen met zijn premier, een gemeen
plan...
Rahwana
roept de geesten uit de onderwereld aan om de eerste minister te betoveren
zodat deze veranderd in een prachtig gouden hert. Wanneer Sita het hert door
het bos ziet huppelen wil ze het hebben. Dus vraagt ze aan Rama of hij het voor
haar wil vangen, niet wetende dat het eigenlijk de betoverde eerste minister
is. Aanvankelijk voelt Rama hier niets voor maar Sita gebruikt haar vrouwelijke
charmes net zo lang tot Rama uiteindelijk toestemt en achter het beest aan
gaat.

Terwijl
Rama steeds verder en verder door het hert het bos wordt ingelokt verbergt Rahwana
zich vlakbij de schuilpaats van de prinses achter een boom.
Plotseling
hoort prinses Sita een ijselijke noodkreet. Ze schrikt daar vreselijk van en
wordt ongerust omdat ze denkt dat het prins Rama is die daar gilde en dat hem
iets verschrikkelijks is overkomen. Ze holt naar Laksamana toe en smeekt hem of
hij alsjeblieft in het bos wil gaan kijken wat er aan de hand is en of prins
Rama misschien gewond is... of erger.
|
De doortrapte eerste minister, voor...
|
|
... en na zijn verandering in een gouden hert.
|
|
De apen
|
Laksamana
weigert. Hij weet dat prins Rama door de goden beschermd wordt en onkwetsbaar
is en dat hem dus niets kan gebeuren. Hij vindt ook dat prinses Sita zich veel
te veel zorgen maakt.
Dan
wordt prinses Sita boos. Ze
beschuldigd Laksamana er niet alleen van dat hij een lafaard is maar ook dat
hij eigenlijk liever zou zien dat prins Rama zou verongelukken zodat Laksamana
dan in zijn plaats de troonopvolger zou zijn en... dat híj dan met haar zou
kunnen trouwen.
Als
Laksamana dat hoort wordt hij woedend. Zulke belachelijke onzin heeft hij nog
nooit gehoord. Stampvoetend trekt hij het donkere bos in op zoek naar zijn
broer. Prinses Sita blijft alleen en onbewaakt achter.
Dat
is het moment waar Rahwana op gewacht heeft. Hij komt te voorschijn, dringt de
schuilplaats van prinses Sita binnen en ontvoert haar naar zijn koninkrijk waar
hij haar opsluit in het paleis.
Als
prinses Sita in het paleis inziet waar haar hebzucht naar glimmende dingen toe
geleid krijgt ze spijt. Ze is eenzaam en ongelukkig en wordt getroost door
Trijata, een nichtje van Rahwana, die haar probeert te overtuigen om met
Rahwana te trouwen omdat Rama haar in de steek gelaten zou hebben.
Dan
verschijnt ineens Hanoman op het toneel. Hanoman is de god van de apen die in
het bos leven waar prinses Sita met prins Rama en Laksamana haar schuilplaats
had. Hij is het paleis binnengedrongen en vertelt de prinses dat prins Rama
haar vergeven heeft en dat hij nog steeds van haar houdt en dat hij haar
binnenkort zal komen bevrijden. Om te bewijzen dat hij de waarheid spreekt
heeft Hanoman een ring van prins Rama bij zich.
De
prinses is dolgelukkig en geeft Hanoman een deel van haar kroon mee met de
boodschap dat ze nog leeft en dat ze wanhopig veel van Rama houdt maar dat hij
op moet schieten omdat de voorbereidingen voor haar gedwongen huwelijk met
Rahwana al in volle gang zijn.

Wanneer
prins dat bericht ontvangt wacht hij geen moment en trekt hij met een paar
getrouwen ten strijde. Het is een dappere poging die gedoemd is te mislukken.
De mannen worden opgewacht door het sterke leger van generaal Megananda, de
zoon van de boze Rahwana, die in het gevecht dat volgt, een pijl op Rama en
Laksamana afvuurt. Maar - omdat Rama onkwetsbaar is - verandert die pijl, vlak
voordat Rama geraakt wordt, in een slang die zich om de twee broers heen
kronkelt waardoor ze niets meer kunnen doen.
|
Hanoman, god van de apen
|
|
Megananda, de zoon van Rahwana.
|
|
Sugriwa, de koning van de apen, in gevecht met Rahwana
|
Rama
schreeuwt om hulp. Zijn leger is verslagen, zijn geliefde zit gevangen en
hijzelf is, met zijn broer, aan handen en voeten gebonden. Hij kan niets meer
doen.
De
hulpkreten worden gehoord door Vishnu. Die
zendt Garuda - half mens, half vogel - om de twee te helpen. Garuda pikt net zo
lang met zijn snavel op de slang in tot deze sterft en Rama en Laksamana
bevrijd zijn.

Rama pikt de slang dood die Rama omklemd heeft.
Inmiddels
heeft Hanoman Sugriwa, de koning van de apen, ook overtuigd om de strijd met
het kwade aan te gaan. Sugriwa daagt Megananda uit voor een gevecht. Die
veldslag wordt gewonnen door de apen. Megananda sterft op het slagveld.
Rama
haast zich dan naar het paleis waar hij oog in oog komt te staan met Rahwana
die, hoe groot hij ook is, zonder de bescherming van zijn leger een lafaard
blijkt te zijn. De prins kent geen pardon. Hij doodt Rahwana en bevrijdt zijn
prinses.
Eind
goed, al goed. Het volk is verlost van zijn tiran, de prins en zijn prinses
trouwen, Het kwade is verslagen, het goede heeft overwonnen.

Eind goed, al goed.
|