Massacrematie op de rand
van een vulkaankrater
In Kedisan raken we op
een avond in gesprek met I Wayan. Hij vertelt ons dat er twee dagen
later in zijn dorp, Batur, tien kilometer verderop op de kraterrand
van Gunung Batur, een grote crematieceremonie gehouden gaat worden.
Het is de eerste ceremonie sinds drie jaar en deze keer zijn er
honderdtwintig overledenen die gecremeerd worden... of beter gezegd:
worden de zielen van de overledenen uit hun lichamen bevrijd zodat die
op zoek kunnen gaan naar een ander lichaam. Want Hindu's geloven in
reïncarnatie.
Omdat er geen familie is die de kosten van
zo'n crematie alleen kan dragen wordt er tegenwoordig gewacht tot er
genoeg mensen overleden zijn waardoor de kosten gedeeld kunnen worden.
Soms zelfs doen twee of meer dorpen samen. Families kunnen dan langer
sparen en het feest kan veel groter en indrukwekkender worden. Het
wordt dan een feest voor het hele dorp... voor iedereen.
In tegenstelling tot wat wij dachten wordt niet het lijk verbrand.
Tenminste... niet in Batur. Er zijn dorpen waar dat wel gebeurd, waar
de lichamen eerst begraven worden en waar ze, voor de crematie, weer
opgegraven worden. In Batur niet. Daar wordt het lichaam begraven en
wordt tijdens de crematie iets gebruikt dat de overledene voorstelt.
Dat kan van alles zijn... een haarvlecht, de bril of een kris maar vaak
is het een stukje houtsnijwerk in de vorm van een man of een vrouw.
En ook dat symbool wordt niet verbrand maar, samen met allerlei
voorwerpen en het voedsel die de overledene op zijn reis naar een nieuw
lichaam nodig heeft, opnieuw begraven.
Het lichaam zelf, de botten en het vlees, zijn voor de Hindu's niets
meer dan een vehikel voor de geest. De verbranding is symbolisch.
I Wayan zou het heel leuk vinden wanneer we naar zijn dorp zouden willen komen om te zien hoe dat gaat.
Twee dagen later zitten we 's morgens voor achten, tussen een dozijn giechelende schoolkinderen op een houten bankje in een bemo.
We rijden over de steile weg van Kedisan dat op de bodem van de krater
ligt naar Penelokan - driehonderd meter hoger - op de kraterrand. Daar
stappen we meteen over in een andere bemo die ons in een
kwartiertje, slingerend van de linker- naar de rechterkant van de weg,
naar Batur brengt. Daar houdt de chauffeur z'n hand op en grijnst.
"Seratuspuluh ribuh."
De man heeft zwartbruine tanden. Twee stuks. Rood tabakssap loopt uit z'n mondhoeken langs z'n kin. Honderdduizend rupies is een goed dagloon in deze streek en dus ronden we af op acht. Dat is, zo vinden we, een vorstelijke beloning voor het ritje.
"Matur suksma."
"Sama, sama."
Hij is er blij mee en rijdt toeterend weg.

Katut, Komang, Wayan, Nyoman en Made.
We staan op het kruispunt van het
dorp en zien meteen dat het vandaag feest is. Vrouwen lopen met
prachtig verklede en geschminkte kinderen aan de hand een zijweg in
waar, even verderop, vier reusachtige bamboe torens boven de muur van
het marktplein uitsteken. Twee zien er net zo uit als de torens die we
bij de tempels zien, de twee anderen op een vliegtuigtrap met baldakijn.
Voordat we verder lopen wikkelen we een sarong om.
"Ya!"
Er wordt goedkeurend geknikt.
"Bagus!"
Want zo hoort het hier in Bali.
Een vrouw uit een stalletje wenkt ons en wijst naar onze buiken.
"Selendan!"
We kijken elkaar aan.
"Is er iets niet goed?"
"Hoezo?"
"Wat bedoelt ze?"
"Selendan, selendan!"
"Oh... ik denk dat we een tempelshawl om moeten."
"Ja? Ach... misschien is dat vandaag wel een goed idee. We zijn hier tenslotte te gast."
Voor we het weten hebben we allebei een shawl om ons middel.
"Limapuluh ribuh!"
"Mahal, Terlalu mahal!"
"Murah! Harga lokal!"
"Untuk orang Indonesia dijual dengan harga berapa?"
"Sama sama! Sama sama!"
Net als alles op Bali gaat ook deze onderhandeling over de prijs met
grapjes en theater. Wij zeggen dat het te duur is, de verkoopster
bezweert ons dat ze ons dezelfde prijs berekend als de mensen uit het
dorp. We spelen allebei dat we beledigd zijn en allebei weten we dat
het niet zo is.
"Saya kasih tigapiluh ribuh!"
"Ah! Tidak!"
"Boleh kurang?"
"Boleh... boleh. Empatlimapuluh ribuh!"
"Mahal!"
Dan wijst ze naar een hoofddeksel. Het is een doek die op een
kunstige manier rond het hoofd gevouwen wordt zodat er aan de voorkant
een kek strikje en twee opstaande vleugeltjes ontstaan. Ze wijst naar
mijn hoofd en vervolgens naar de mannen die langs wandelen.
"Udang!"
"Ik denk dat ook jij vandaag zo'n petje op moet."
"Denk je?"
"Alle mannen hebben er een, voorzover ik zie."
"Nou... vooruit."
"Berapa harganya?"
"Duapulu ribuh."
"Mahal!"
"Murah!"
"Semua... total... limapuluh ribuh."
"Ya... ya."

Op het marktplein wordt nog druk aan de wadah's getimmerd.

Het staketsel waarop de wadah's staan is van beendikke bamboe. Een sarong, selendang en udang: Tuan Dick!
Even later lopen we, in sarong en selendan
en met een grappig petje op, dat niet op een garnaal lijkt maar wel zo
heet, door het dorp op weg naar het marktplein. Daar zijn tientallen
mannen druk in de weer met van alles en nog wat. De sfeer lijkt op iets
wat het midden houdt tussen een jaarmarkt, koninginnedag en de
allerlaatste momenten voor een carnavalsoptocht. Aan de vier enorme
bouwsels die er staan wordt nog volop en druk gespijkerd. Tussen de
bouwsels lopen de verklede kinderen. Veel van hen hebben iets te
snoepen. Het is feest.
Via grote luidsprekers die overal zijn opgehangen, klinkt gamelanmuziek die onderbroken wordt door huishoudelijke mededelingen.
Achter het marktplein zien we vier enorme
rieten overkappingen. In de eerste staan banken en tafels. Daar wordt
koffie en thee geschonken. De tweede is de keuken. Hier staan een hele
rij kookpotten waar soep in pruttelt en sauzen en vlees. Er staan grote
gevlochten manden met gekookte rijst, zeker vijftig kilo per mand.
Duizenden stokjes sateh op bamboe schalen. Er liggen stapels witte kool
en wortels. Tientallen magere kippen, de poten aan elkaar gebonden, en
drie varkens wachten er op hun lot.
In de grootste tent staan, op de grond, maaltijden klaar. Vier
maaltijden per groepje, Vier rieten mandjes met - op een papier -
rijst, sayur, sateh, serundeng, sambal
en een bananenblad met leverpastei. Vier bekertjes water. Vijf rijen
met elk twintig van die groepjes. Er wordt gegeten in kleermakerszit en
met de handen.
In de vierde tent liggen de offers die de dorpelingen in de afgelopen
maanden hebben gemaakt. De hoeveelheid huisvlijt die een dorp in drie
maanden kan produceren is onbeschrijfelijk. Het blijkt ook, nadat het
af is, niet meer echt belangrijk. Alles is in bamboe kisten gestapeld
en die kisten staan ook weer boven op elkaar zodat al het knip-, vouw-,
plak- en schilderwerk kapotgeplet wordt.
"Net als het lichaam is ook dit stoffelijk en onbelangrijk."
"..."
"Het is dus niet het product dat belangrijk is. Het gaat er dus niet om wát ze maken."
"Nee?"
"Nee, tenminste... dat lijkt me. Het lijkt erop dat de tijd het offer
is en dat de gezamenlijkheid de sociale verbindtenis geeft."
"..."
"Hier hebben ze dus maanden aan gewerkt. Er is van alles ingekocht en
al die tijd hebben ze hier met elkaar dingetjes zitten maken die in die
kisten zitten."
"Dus is het niet belangrijk wat je maakt... maar hoe."
"Niet helemaal. Het is wel belangrijk dat je iets moois maakt... zo
mooi mogelijk. Maar doordat je er afstand van doet is niet alleen je
kunstwerkje een offer maar ook de tijd."
"..."
"En hoe mooier het product, hoe langer de tijd, des te moeilijker om er
afstand van te doen en dus een groter offer. Het lijkt ingewikkeld maar
het is heel simpel. Ik begrijp het zelfs."
"En die vruchten... die eieren... die gebraden kippen en eenden?"
"Dat zijn spijsoffers. Dat offer spaar je uit je eigen mond... en het
is niet de bedoeling dat je het vervangt door iets anders, door iets
dat je niet lekker vindt. Je offert iets lekkers en hoe lekkerder je
offer is, hoe beter je het voelt."
"Dus de bedoeling van het offer is eigenlijk om je eigen lust, jaloezie en hebberigheid te overwinnen... de baas te zijn."
"Ja, dat ook... denk ik. Ik denk dat het allerlei lagen heeft. Een offer moet je daar voelen waar het het meeste pijn doet."
"Dat het goede het kwade moet overwinnen."
"Ja."
"Dus in jouw geval zou je eten moeten offeren. Lekker eten."
"Oraal gefixeerde mensen zoals ik zouden er moeite mee hebben om zo'n
gebraden eend weg te geven... ja. Dat is dus een groot offer."
We lopen, langs de muur van het marktplein en
een verbindingsstraat naar beneden. Daar is, vlak naast de
begraafplaats, nog een plein. Er staat een grote overdekte bamboe
tribune met een rieten dak. Op die tribune staan manden met daarop
pyramides van vruchten en gebak. Elke mand is prachtig versierd met
kunstig knipselwerk, linten en allerlei blinkende versierselen plus een
foto van de overledene met daarbij de naam, de geboorte- en de
overlijdingsdatum. Elke mand heeft een nummer.
Voor de manden staan, op planken en metershoog opgestapeld, de
offermandjes die we overal in Bali zien. Vierkant en gevuld met van
alles en nog wat.
Van een van de omstanders leren we dat die pyramides de adegans zijn en dat in elke adegan het symbool van de overledene bewaard wordt.
"Some of the people have past away more than three or four years ago..."
"Yes... the cremation is very expensive and some families must work
hard to save money to pay for the cremation. So sometimes families
cannot join the cremation and must wait fot the next one. Also... some
families have more deads. It is very expensive to join the cremation."
Op dat moment begint de ceremonie.

Honderdtwintig adegans, keurig genummerd. Duizenden, tienduizenden offermandjes

Voor de tribune wordt gebeden. Op het kerkhof zijn honderdtwintig graven gegraven.
Honderdtwintig vrouwen nemen, een voor een, de adegans
op hun hoofd en vormen twee lange rijen. Daarvoor komen een achttal
meisjes die grote bloemenschalen op hun hoofd dragen. Helemaal aan de
voorkant van de stoet staat een staketsel met daarop twee grote poppen
die een oude man en een oude vrouw voorstellen.
Een gamelanorkest
begint te spelen. Niet mooi, wel hard en bijzonder uit de maat. Op dat
moment tillen een dertigtal jongens van een jaar of tien, twaalf onder
luid gejuich de ogoh ogoh op, draaien het bouwerk een paar
maal als een pirouette in het rond, hollen ermee van links naar rechts,
houden het scheef en lopen vervolgens in de richting van het bos. Het gamelanorkest, de meisjes met het bloemen en de vrouwen met de adegans volgen. De ceremonie is begonnen.
We volgen de stoet tot een paar honderd meter
buiten het dorp en zien dat de adegans zo zwaar zijn dat de vrouwen
deze maar een korte periode kunnen dragen. Naast iedere vrouw lopen
minstens twee anderen en terwijl de stoet langzaam voortschrijdt
wisselen de vrouwen elkaar, al lopend, af.
Wanneer de stoet in het bos verdwijnt keren wij terug naar het dorp om alvast op de begraafplaats te gaan kijken.
Daar zien we honderdtwintig graven. Allemaal even breed, lang en diep
en allemaal keurig genummerd. Bij elk graf staat een bamboe versiering.
Het is er stil.
Af en toe klinkt er een mededeling.
Verder gebeurt er niets.
Dus wandelen we terug naar boven, naar het marktplein. Daar zien we dat
de wadah's verdwenen zijn en dat er gegeten wordt. Een vrouw trekt ons
aan de mouw.
"Makan siang?"
We kijken elkaar aan.
"Makan, minum!"
"Ik denk dat we uitgenodigd zijn."
"Kom, ik vind niet dat we dat moeten doen. Ik voel me al zo opgelaten
hier. Jij met dat grote fototoestel. Het is een begrafenis hoor!"
"Nee. Dat is het niet. Het is een feestdag. Vandaag worden de zielen
uit de lichamen bevrijd en kunnen ze op reis op zoek naar een nieuw
lichaam. Vandaag begint voor al deze doden een nieuw leven. Vanaf
vandaag kunnen ze incarneren. Het is een feestdag!"
De vrouw blijft aandringen en uit de rijen met etende mensen wordt naar ons gewenkt.
"Makan... makan siang! Minum!"
Even later zitten we, tussen de honderden dorpelingen uit Batur, op de grond van het marktplein aan de nasi campur.
Het is een vrolijke boel. Een paar van hen spreken wat Engels en met de
hulp van de handen- en voeten en de paar woorden Indonesisch die wij
kennen krijgen we antwoorden op een paar vragen.
Zo leren we dat het bouwsel met de oude echtpaar aan de kop van de processie de ogoh ogoh is en dat de twee figuren op de ogoh ogoh
Kaki Patuk - opa - en Dadong Patuk - oma - voorstellen. Ze zijn gemaakt
door de jeugd van het dorp en het bouwsel worden ook door hen gedragen.
Zonder hen gaat het feest niet door.
We leren ook dat in de adegans
de zielen van de overledenen bewaard worden. Die worden nu buiten het
dorp gebracht. Dat gaat, om de demonen in de war te brengen, via een
omweg. Onderweg wordt herrie gemaakt en er wordt met water gegooid.
Alles wordt gedaan om de boze geesten te verjagen en in de war te
brengen.

Honderden maaltijden. Er wordt in groepjes van vier gegeten. En wij zijn uitgenodigd.
Veel eerder dan verwacht keert de processie terug, opnieuw voorafgegaan door het gamelanorkest. De jeugd die de ogoh ogoh
draagt is helemaal door het dolle heen. Ze schudden en schreeuwen,
klimmen op en over de twee figuren, smijten met zakjes water en spuiten
met flessen. Opnieuw draaien ze de ogoh ogoh in het rond. Dat
gaat zo hard en zo wild dat er kinderen uit de bocht vliegen en onder
luid gejuich in het publiek terecht komen.
Uiteindelijk komt de stoet, met daarin de zielen van de overledenen, veilig terug bij de tribune naast het kerkhof en worden de adegans weer op hun plek gezet.
Een poosje later treffen we ook I Wayan Hij is helemaal verrukt dat we er zijn.
"When did you arrive, what time?"
"Eight."
"Oooh... early! You see everything!
Hij heeft geen tijd voor ons want op dat moment verlaten de adegans opnieuw,
een voor een de tribune. De vrouwen die ze dragen lopen nu heel snel
over een smal pad dat door het publiek wordt vrijgehouden.
"What is happening?"
"The adegan's are going to look if the wadah is a safe place. The
wadah's are in the centre of the village. We have two wadah's because
there are many people dead. One hundred twenty... sixty, sixty. My
grandfather is number ninety."
"..."
"I must go now. Very busy."
"Matur suksma."
"Sama sama."

De jeugd van Batur brengt de ogoh ogoh het dorp binnen.

De vrouwen met de adegans op hun hoofden.

Een voor een gaan de vrouwen, met de geest van hun dierbaren op hun hoofd, door de mensenmassa.
Een uur later keren de vrouwen met de adegans terug... nu weer als een groep en opnieuw worden ze op de tribune geplaatst.
Op dat moment wordt het ook druk rond het kerkhof. Een paar duizend
opgewonden jonge mannen verzamelen zich voor de ingang van het plein
voor de tribune. We zien grote rollen wit katoen die aan repen
gescheurd worden. Die repen wikkelen ze om hun hoofd, om hun bovenarmen
en handen.
Er wordt een pad door de massa gvrijgemaakt en vervolgens zien we dat
een stuk of twintig mannen een lang laken als een dak boven hun hoofden
houden waarvan ze allemaal een puntje vasthouden. Vanaf de tribune
wordt een bundel aangereikt, ook verpakt in wit katoen. Die bundel
wordt door de voorste van de groep op de schouders genomen en
vervolgens begint de groep te schreeuwen en te rennen... door de
massa... richting centrum.
"Idi apa?" vragen we aan een jongen naast ons, waarvan we vermoeden dat hij Engels spreekt.
"Saue!"
"Sauwer?"
"Saue! Without the 'r'. In this bundel is the soul of the dead person..
The strongest members of the family bring it, very fast, to the wadah.
They protect it from the demons by waving the white sheet. And they
shout very loud to scare the demons away."
"And the adegan?"
"The adegan stays here. It will go to the cemetary... later."
Een voor een rennen de families door de nauwe
doorgang in het publiek. Ze wapperen met een lange reep wit katoen
boven hun hoofd en schreeuwen zo hard mogelijk. Onderweg worden ze
aangemoedigd door de toeschouwers die minstens zo hard schreeuwen en
met potten en pannen rammelen. Bij de wadah worden ze opgewacht door de
priesters die de bundel zegenen en via de loopbrug in de bovenste kamer
van de toren leggen. In iedere toren gaan zestig bundels en iedere keer
als er een bundel veilig is gaat er een enorm gejuich op.
Wanneer dit onderdeel van de ceremonie achter de rug is wordt het weer
rustig in het dorp. Er wordt wat gegeten, er speelt een gamelanorkest
en wij doden het wachten door hier en daar uitleg te vragen over wat er
tot nu toe gebeurd is en proberen uit te vissen wat ons nog te wachten
staat.

Manden, vol met allerlei zaken voor onderweg, worden naar de graven gedragen.

En daar gaan de adegans. Ook die gaan naar de graven toe.

De saue's worden, verpakt in een linnen bundel, onder bescherming van een wapperend laken naar de wadah's gebracht.
Inmiddels brengen vrouwen grote, feestelijk
versierde schalen en manden naar de graven. Telkens twee vrouwen. Een
met een grote mand, de ander met een schaal. Die zijn, behalve met
voedsel, gevuld met allerlei zaken die de overledene op reis naar een
nieuwe leven nodig heeft. Slippers, een sarong, overhemden, ondergoed,
zeep, een kam, scheerspullen, lippenstift en voldoende geld.
En ook hier wordt keurig de nummervolgorde afgewerkt die door de organisatie wordt afgeroepen.
"Empatbelas... I Wayan Natapradja."
"..."
"Limabelas... I Katut Amanapunyo."
"..."
"Enambelas..."
Wanneer nummer honderdtwintig geweest is en bij elk graf twee wakende
vrouwen zitten is het even stil. Dan klinkt de stem van de omroeper en
komen er uit het publiek honderden vrouwen die ook allemaal manden en
schalen dragen.
"Dat zijn misschien de niet directe verwanten die ook bij willen dragen."
"Misschien, ja. Het is in ieder geval iets extra's, lijkt me. Bij het ene graf wordt meer gebracht dan bij het andere."
Plotseling klinkt er, vanuit het centrum een
oorverdovend lawaai. Het publiek keert zich om en loopt snel naar
boven, Jongens met een zwart T-shirt en een geruite selendang manen
iedereen naar de zijkant van de weg en daar ontstaat een brede vrije
baan. Daarover komen de twee wadahs en de loopbruggen nu naar naar
beneden. Ieder bouwsel wordt door tientallen mannen op de schouders
gedragen. Ze zweten als paarden en schreeuwen en zingen zo hard
mogelijk. Het gaat van links naar rechts over de weg. De boel draait in
het rond terwijl het publiek met water gooit en zoveel mogelijk herrie
maakt. Priesters hangen aan de bovenste kamers van de torens en houden
zich met moeite vast. Ook zij schreeuwen zo hard mogelijk. Zij moeten
de hardnekkigste demonen van de saue's proberen weg te jagen.
Voor de ingang van het kerkhof speelt een gamelanorkest vals en uit de
maat. Veel mensen hebben ratels of slaan met pannendeksels op elkaar.
Eenmaal op de begraafplaats wordt het helemaal een feest. De bouwsels
worden hoog opgetild, scheefgetrokken, gaan een keer of vier in de
rondte en langs alle hoeken van het veld voor ze, onder luid gejuich op
de grond gezet worden. De twee wadah's eerst en daarna worden de
loopbruggen er tegenaan geplaatst.
In de tempel, naast het kerkhof, begint een
dienst. De mensen die geen plek in de tempel kunnen vinden gaan op de
straat voor de ingang zitten. Er wordt geneuried en gebeden.
Op het kerkhof zijn de priesters weer op de wadah's geklommen. Zij
nemen de saue's een voor een uit de bovenste kamer en geven die aan de
familie's. Die dragen de bundels, opnieuw onder bescherming van een wit
laken, naar lange tafels die bij de graven staan. Wanneer alle bundels
uit de wadah's zijn worden ze omzichtig uitgepakt. Ook dit gaat keurig,
een voor een, op nummer.
Nu zien we dat er in iedere bundel een klein witgeschilderd houten
kistje zit. In dat kistje zit de ziel van de overledene...
gesymboliseerd door een voorwerp. En inderdaad, de een heeft een kris,
de ander een olifant, een derde een haarvlecht. Het meeste is prachtig
houtsnijwerk en het wordt gehanteerd alsof het van het allerbrooste en
breekbaarste kristal gemaakt is. De mensen die rond de tafels staan
zingen en een priester gaat langs om ieder voorwerp, ieder symbool, te
zegenen.
Een meisje dat naast ons staat vertelt dat iedere familie zelf voor het
water moet zorgen waarmee gezegend wordt. Een deel moet uit het
kratermeer Danau Batur komen, een deel uit de beken die van Gunung
Agung afwateren en een deel uit de oceaan. Er moeten frangipanibloemen
in zitten en speciale kruiden.
Terwijl de preisters zegenen wordt er gebeden en gezongen. Via de
luidsprekers horen we bij welk nummer we zijn en hoe die overledene
heette.
Na de zegening wordt het voorwerp, uiterst omzichtig, in het graf
gelegen. Het kistje gaat terug naar de bovenste kamer van de wadah.
Langzaam wordt het donker.

Priesters hangen aan de bovenste kamers van de torens en houden zich met moeite vast.

De bouwsels gaan onder oorverdovend lawaai van links naar rechts over het kerkhof.

Op het kerkhof zijn de priesters weer op de
wadah's geklommen. Zij nemen de saue's een voor een uit de bovenste
kamer en geven die aan de familie's.
Terwijl de priester, via de luidsprekers, oproept tot een gezamenlijk gebed ontmantelen de wakende vrouwen bij het graf hun adegans.
Een deel daarvan wordt in het graf gelegd, samen met de schalen voedsel
en reisbenodigdheden, een ander deel wordt apart gehouden. Het gezang
zwelt aan en de graven worden gedicht.
Inmiddels wordt, naast de graven, bij de tribune en in het dorp, alles
wat niet meer nodig is voor de ceremonie, afgebroken en naar de wadahs
gebracht. Daar ontstaan twee grote brandstapels. Ook de tafels waarop
een poosje geleden de bundels lagen, plus al het linnen, de geraamtes
van de adegans en al het overtollige bamboe wordt op de hoop rond de wadah's gegooid. De kinderen die de ogoh ogoh gedragen hebben rollen autobanden onder het staketsel.

Op lange tafels die bij de graven staan worden alle bundels omzichtig uitgepakt. Een priesteres leidt de ceremonie.
Dan beklimmen twee priesters de loopbruggen en gieten ze over elke wadah een jerrycan benzine leeg.
Even later gaat, terwijl de laatste graven dicht gaan en het publiek steeds luider begint te zingen, de fik er in.
Meteen staat de boel in lichterlaaie en doordat het bamboe uit elkaar knalt lijkt het wel ouderjaarsavond.
Op dat moment beginnen honderdtwintig zielen uit Batur, eindelijk aan hun reis op weg naar een nieuw lichaam.

|