Een jaar door Australië, wat levert dat op?

Toen we dertien maanden geleden op onze Vittorio’s uit het ruim van de
Spirit of Tasmania de kade van Devonport op reden en begonnen aan onze
fietsreis door Australië, hadden we niet het flauwste idee wat we er
konden verwachten. We wisten dat het een groot land was maar hadden
geen idee hoe groot. We wisten dat er kangaroe’s leefden en
krokodillen, dat er ergens in het midden een grote rode rots lag en in
het noordoosten een enorm koraalrif. Australiërs waren sportief en
wonnen op Olympische Spelen heel veel medailles. Vooral bij het zwemmen
– wat natuurlijk niet vreemd is wanneer je op een eiland woont. Dat
Tasmanië geen land was maar een staat was een verrassing. We wisten dat
Canberra de hoofdstad was maar niet waarom. We wisten ook niet hoe de
eerste minister heette. De Bee Gees en Kylie Minogue kwamen uit
Australië. Neighbours en Crocodile Dundee ook. Maar dat waren weer
dingen waar we liever niet aan dachten. Mensen die er op vakantie
geweest waren hadden ons verteld dat ze jaloers op ons waren. Volgens
hen zouden we een geweldige tijd hebben. Volgens hen waren Australiërs
open en gemakkelijke mensen die ons iedere avond uit zouden nodigen om
bier met hen te drinken en te barbecuen.
Dat was het ongeveer. We hadden ons niet voorbereid en we hadden geen reisgids bij ons. We wilden ons laten verrassen.
Inmiddels zijn we terug in Melbourne. We
hebben ruim zeventienduizend kilometer gefietst en zijn, op ACT na, in
alle Australische staten geweest. We weten inmiddels hoe die staten
heten, wat de hoofdsteden zijn en kennen ook de naam van de
Australische premier. We zitten aan een picknicktafel in een park aan
de Yarra River en lezen een krant.

“John Howard gaat de gloeilamp verbieden.”
“Oh?”
“Als eerste land ter wereld.”
“Echt?”
“Ja. Na 2010 mogen er in Australië geen gloeilampen verkocht worden. Alleen nog maar spaarlampen.”
“Oh?”
“Lees ik hier.”
“Echt?”
“Ja, echt. Vanwege Global Warming. Volgens hem wordt bijna 95% van de
energie die een gloeilamp gebruikt omgezet in warmte en niet in licht.
Die warmte is slecht voor het milieu.”
“...”
“Als mensen hun gloeilampen vervangen door spaarlampen besparen ze 66% op hun energierekening.”
“Oh?”
“Het staat hier echt!”
“Dan heeft ie er zeker geen idee van hoeveel airconditioners hier de
hele dag draaien en dat iedere Australiër vier koelkasten heeft. En dat
alle auto’s hier zes cylinders hebben, of acht.”
“Nee, denk ik ook niet.”
“Vreemde man. Wil het protocol van Kyoto niet ondertekenen omdat dat
geen economisch voordeel oplevert, wil geen windmolens omdat die het
landschap verpesten en is tegen investeringen in zonne-energie omdat ’s
nachts de zon niet schijnt.”
“Maar nu dus wel verplichte spaarlampen.”
“Ja.”
“Staat ook een foto bij het stuk...”
“Dat is niet Howard, dat is Mike Myers.”
“...”
“Of niet?”
“Je hebt gelijk... Mike Myers.”
“...”
“Wat een land.”
“Nou.”
“Hoe kijk jij er eigenlijk op terug?”
“Waarop?”
“Op je jaar in Australië.”
“Hoe bedoel je?”
“Nou... wat vond je er van?”
“In welke zin?”
“Nou, gewoon... is het je tegen gevallen of juist mee, wat vond je leuk en wat niet...”
“Jeee, daar vraag je me wat.”
“...”
“Laat ik bij het begin beginnen. Toen jij voorstelde om een jaar door
Australië te fietsen, toen leek me dat een goed idee. Niet te veel
mensen, geen cultuurshock, aangenaam klimaat, geen probleem met de
taal... dat soort dingen. Leek me heel relaxed. Want na het anderhalf
jaar dat we voor Stichting Klein Verzet door Nederland gefietst hadden
was ik helemaal op. Ik had ontzettend behoefte aan leegte, aan rust,
aan helemaal niets.
Die anderhalf jaar waren veel, veel zwaarder geweest dan ik gedacht
had. Iedere avond op een andere plek, iedere avond een diashow, iedere
avond jezelf weer opladen en verhalen vertellen, geen ruimte voor
jezelf, geen rust. Alleen maar gaan, gaan, gaan.
Ik ben natuurlijk niet voor niets ziek geworden toen we in Tasmanië
waren, Dick. Ik had totaal geen weerstand meer. Mijn lichaam vond het
wel genoeg zo.”
“Ja. Heel vervelend.”
“En ik vond het eigenlijk best prettig dat jij alleen ging fietsen en
mij in Howard liet herstellen. Daardoor kreeg ik extra tijd om uit te
rusten. Het haalde bij mij alle druk van de ketel.”
“Oh?”
“Maar het feit dat ik ziek geweest ben heeft in die eerste maanden wel
invloed gehad op hoe ik fietste en de manier waarop ik om me heen keek.
Eigenlijk was alles me te veel. Ik was gewoon op, weet je. Maar ik was
nu eenmaal in Australie en dus wilde ik niet te veel zeuren. Ik moest
mezelf wel iedere morgen oppeppen om door te gaan. Maar in die eerste
paar maanden was het prettigste moment van de dag wel het moment dat ik
’s middags van de fiets kon stappen."
“Ik vond die eerste maanden overigens ook niet zo prettig hoor.
Tasmanië wel, dat was prachtig. Maar omdat ik daar in m’n eentje
rondfietste was de beleving toch anders. Nu, een jaar later, zou ik dat
stuk graag over willen doen. Het was het mooiste deel van de reis. Maar
dat is achteraf. En achteraf is een koe in z’n kont.
Daarna, op het vasteland, toen we vanuit Melbourne op weg gingen en aan
de oostkust terecht kwamen, toen begon ik me af te vragen wat al die
mensen nu zo leuk vonden aan dit land. Ik vond het verschrikkelijk.
Smalle wegen, geen vluchtstrook, grote auto’s die geen ruimte geven,
niemand die rekening houdt met fietsers”.
“Ja. Vooral het stuk ten zuiden van Sydney... met die logging trucks.
Dat vond ik heel erg. Dat we nog leven vind ik een wonder.”
“En ik had nog meer moeite met de mensen.”
“Ik welke zin?”
“Onbeschaafd, simpel, grof. Ik dacht altijd dat mensen als Rex Hunt en
Steve Irwin karikaturen waren. Maar dat was niet zo. Heel veel
Australiërs zijn zo. Ik vond het schokkend dat ze zo’n grote bek
hadden.”
“En zo dik zijn...”
"Pffff..."
"...en van boven tot onder onder de tatoeages zitten."
“Ja, dat ook. Je weet niet wat je ziet!”
“Maar goed... toen ik langzaam maar zeker meer conditie kreeg bekeek ik
mezelf en de dingen om me weer wat positiever. Anders dan jij kan ik
van veel dingen beter afstand nemen. Jij voelt je op een bepaalde
manier aangevallen wanneer je geconfronteerd wordt met domheid of
iemand die heel erg dik is.”
“Hoe bedoel je dat?”
“Nou, jij reageert daar op een bepaalde manier geschokt op. Ik haal m’n schouders op en lach er om.”
“Ik vond het formaat van de mensen, vooral in Queensland, inderdaad
heel schokkend, ja. En wat ik ook typisch Australisch vond dat was dat
niemand daar mee zit.”
“Dat bedoel ik... dat is de manier waarop jij daar mee om gaat. Ik zie het ook maar het doet me niet zoveel.”
“Nee?”
“Nee. Maar dat is niet waar ik het over wil hebben. Je vroeg me hoe ik er op terug kijk, op Australië.”
“Ja.”
“Daar was ik mee bezig. Laat me uitspreken.”
“...”
“Nou, toen we na vier maanden fietsen in Townsville waren was ik het
spuugzat. Gelukkig gingen we daarna de bush in. Op de weg werd het een
stuk rustiger en toen kon ik weer van mijn fietsleven genieten.”
“...”

“En jij?”
“Dat zei ik al: Ik vond de eerste twee weken leuk, toen we vanuit
Melbourne naar het oosten reden, door Gippsland. Daarna heb ik, tot
Townsville, vaak gedacht ‘wat doe ik hier?’. Ik heb daar niet met veel
plezier gefietst.”
“Ook niet qua weer?’
“Qua weer wel. Hoezo?”
“Nou, voor mij wordt een groot deel van het fietsplezier bepaald door
het weer. En daar heb het in het begin ook wel moeilijk mee gehad hoor.
Je komt uit koud Nederland en gaat dan ineens in temperaturen fietsen
die halverwege de dertig graden liggen. Ik heb er, ook omdat ik ziek
was, erg lang voor nodig gehad om daar aan te wennen.”
“Ik vind dat we het, qua weer, heel goed gepland hebben.”
“Ja, dat wel. We zijn op het goede moment uit Melbourne vertrokken.
Daardoor hadden we de eerste zes maanden overal de wind in de rug en
vielen de temperaturen ook nog wel mee. In het tweede deel, na Darwin,
heb ik het véél moeilijker gehad.”
“Ik ook, vooral het stuk tussen Broome en Geraldton vond ik zwaar.”
“Het lag aan onszelf dat we het in september en oktober zo moeilijk hadden. We hadden eerder uit Bali kunnen vertrekken.”
“Had gekund, misschien... maar ik ben dat niet zo met je eens. Dan hadden we het onder Perth en op de zuidkust weer koud gehad.”
“Weet je, jij hebt geen probleem met de hitte. Jij voelt je alleen
klote wanneer je tegenwind hebt. Voor mij wordt het boven 40 graden
echt heel onaangenaam hoor. Het gaat dan gewoon niet meer. Maar je hebt
wel gelijk; een prettig gevolg van de late start van ons tweede deel
was dat we niet tijdens de kou in het zuiden hoefden te rijden. Ik vond
daar twintig graden al heel koud.”
“Een voordeel van het weer, hier, is dat je altijd en overal heel goed kunt kamperen.”
“Ja, het is een prima land om te kamperen. In ieder dorp, hoe klein het
ook is, kun je een plek vinden. Dat vind ik heel prettig. Of dat nu in
een caravan park is, op een stuk gras op de cricket oval of op een
plekje in het park. En er is niemand die je lastig valt.”
“En de gratis barbecues overal.”
“Ja. En die toiletten... soms zelfs met douches.”
“Ik ga het nog missen, dat Australië.”
“Verder kun je bijna overal wild kamperen - als je tenminste water genoeg bij je hebt.”
“Ja, dat vond ik wel het grootste probleem.”
“Dat water, ja. Vooral in West en South Australia. Daar waar waterpunten ver uit elkaar lagen.”
“Ik vond dat we het goed opgelost hebben. Je moet een beetje
vindingrijk zijn en je dagen goed plannen. Maar de beschikbaarheid van
water bepaalt wel waar je als fietser wel en niet kunt kamperen.”
“Ja. Je gaat niet met zestig liter water achterop je bagagedrager drie
dagen over een stoffige dirt track rijden om tussen een paar stenen te
kamperen... alleen maar omdat je er wilt kamperen.”
“Nee.”
“Daar verkijken veel fietsers zich, denk ik, nogal op. Op hoeveel water
je hier in Australië drinkt. In West Australië heb ik me daar ook nogal
over verbaasd... over hoeveel een mens kan drinken.”
“...”
“Vijftien liter per etmaal.”
“En dan niet één dag... maar elke dag.”
“Ik vond het heel vervelend dat je door het gebrek aan water vaak
genoodzaakt werd om op rest area’s en op caravan parks te gaan
kamperen. Alleen maar omdat daar water was.”
“Ja, en dat je daar tussen al die mensen met wit haar terecht komt.”
“Op de Stuart Highway bedoel je?”
“Ja. Dat vond ik een kutstuk. Elke dag weer die colonnes met caravans,
de een nog groter dan de ander. Die enorme 4WD’s met mensen met staar,
die nauwelijks nog kunnen lopen, maar wel een auto willen rijden die
vier keer groter is dan degene waar ze voor hun pensionering in reden.
Mensen die een reactiesnelheid hebben die gemeten wordt in minuten in
plaats van milliseconden...”
“...”
“... dan kom je op een rest area of op een camping en dan komen ze om
je heen staan, met hun witte haar en hun kromme benen, met een koud
biertje in hun hand... en vragen: ‘where did you ride from today? How
many k’s do you guys do on them pushbikes? Oh... good on ya!’ ... om
dan, zonder verder iets te zeggen, om te draaien en weer terug naar hun
caravan sjokken. Ik vond dat zo ongelofelijk onbeschaafd.”
"Dick... dat is de manier waarop ze ook met elkaar omgaan. Dat moet je
niet vergeten. Het is die hele generatie die in de vijftiger en
zestiger jaren in dit land is gaan pionieren. Boeren. Die hebben nu hun
land verkocht en reizen in hun caravans rond totdat ze niet meer
kunnen. Veel van die mensen hebben hun hele leven op een boerderij
gewoond... met naaste boeren die tien kilometer verderop wonen. Daar
heb je geen omgangsvormen nodig. Dat hebben ze nooit geleerd. En omdat
deze mensen in groepen reizen worden ze in hun gedrag ook niet
gecorrigeerd."
"..."
“Maar ik ben het in grote lijnen wel met je eens. Ik geloof niet dat we ooit één keer een biertje hebben gekregen... of wel?”
“Nooit. De ergste momenten vond ik dat ze, in een temperatuur van
veertig graden, terwijl je nog niet eens bent afgestapt en het zweet
nog van je kop gutst, voor je gaan staan, een biertje open trekken en
dat, terwijl jij antwoord geeft op hun vragen, naar binnen klokken.”
”Ach... je moet je niet zo boos maken. Lach er om!”
“Ze verwachten dat je ze entertaint, dat je iedere keer weer antwoord geeft op dezelfde vragen. Ik werd er helemaal gek van.”
“Jij kunt daar slecht tegen, dat zei ik al.”
“Ja, maar dit was toch wel heel erg... dat ben je toch wel met me eens, of niet?”
“Ik vond het niet de leukste periode van de reis, nee. Maar ik vond ze
op de camping minder gevaarlijk dan wanneer ze in konvooi op de weg
waren.”
“Ik dank de Heere dat ik die maand heb overleefd.”
“Het was maar één maand.”
“Ja. En ik denk dat ze met z’n allen hadden afgesproken om samen van
Adelaide naar Darwin te rijden... John Howard zou eens iets aan
bejaardenspreiding moeten doen.”
“Maak je niet druk.”
“Goed, ander onderwerp.”
“...”
“Wat vond je van de natuur, van het landschap?”
“Nou, wat het landschap betreft ben ik snel klaar, veel van het zelfde.
Eindeloze vlaktes met kleine boompjes en veel struiken en spinifex.
Gelukkig zie je al fietsend wel veel detail, de mieren, bloemetjes en
veel prachtige vogels.”
“Vogels, ja, dat dan weer wel.”
“Ja. Je hoort de vogels en je ruikt de bomen maar je ruikt ook al die
stinkende kadavers langs de weg. En laat ik vooral de vliegen niet
vergeten... en de mieren dus... maar vooral de vliegen. Ik heb een half
jaar in een vliegennetje gewoond.”
“Daar heb je in een auto geen last van.”
“Niet van vliegen, nee. Maar volgens mij moet het in een auto dodelijk
saai zijn, want die gaan veel te snel om iets kleins te zien.”
“Wat vond je het mooiste stuk?”
“Onder Perth. Dat vond ik heel mooi. Vooral de bomen.”
“Niet de vogels?”
“Ook de vogels, Dick, ook de vogels.”
“En verder?’
“De Gold Coast vond ik verschrikkelijk. Dat mensen daar willen wonen.
Prachtige stranden, daar niet van, maar die zijn al jaren geleden
ontdekt door de commercie. Het is een mega, mega, mega Torremolinos. ’s
Middags heb je daar geen streep zon meer omdat je in de schaduw van al
die wolkenkrabbers zit.
De westkust heeft ook prachtige stranden, maar daar kom je niet zo
makkelijk met de fiets. Bovendien zijn die stranden ver van alles af.
Ook van drinkwater. Daar kom je alleen wanneer je een kampeerbusje
hebt.”
“Wat vond je eigenlijk van Ayers Rock?”
“Uluru bedoel je.”
“Ja, sorry.”
“Daar had ik het enige echt bijzondere moment in Australië. Natuurlijk
zijn er unieke bomen en dieren. Maar veel van de landschappen in
Australië heb ik op andere plekken ook gezien.”
“Ik vond Uluru ook heel bijzonder. Het meest bizarre is dat je weet wat
er komt. Je hebt er al veertigduizend foto’s van gezien in die
souvenirwinkels en op de fiets zie je dat ding al een hele dag voordat
je er eindelijk bent. En dan ben je er... en dan is het nog véél
indrukwekkender dan je je ooit had kunnen voorstellen.”
“Ja... dat gevoel had ik ook. Precies hetzelfde. Ik kon me niet
voorstellen dat ik er nog van onder de indruk zou kunnen zijn. Maar...
ik kreeg toch wel een heel apart gevoel in m’n buik.”
“Ik vond de leegte indrukwekkend. Nergens is zoveel niets als hier. En
om dat te kunnen ervaren moet je er helemaal doorheen, vind ik.”
“Vind je?”
“Ja. Je kunt er wel naar toe vliegen en dan even rondkijken en zeggen
‘Jeee... wat groot!’, maar wanneer je er doorheen fietst... zeven
maanden lang... pffff.”
“Nou, die leegte is voor mij ook het meest karakteristieke van
Australië. Die enorme afstanden tussen plekken met bewoning en het nog
grotere niets dat er tussen ligt. Die oneindige droge vlakten waarop
bijna niets groeit. Nergens heb ik ruimte zo ervaren als hier. En dan
zijn wij nog op het asfalt gebleven, Dick. In zo'n omgeving wordt alles
wat iets afwijkt van de rest als een bezienswaardigheid aangeprezen.
Dus elke pukkel en elke geul zijn dingen waar je naar toe moet.”
“...”
“Weet je...”
“Ja?”
“Ik vond je verslagen in de Fietskoerier heel leuk om te lezen maar wat
ik jammer vond dat was dat je niets geschreven hebt over de
aboriginals.”
“...”
“Waarom niet?”
“Ik vind dat ont-zet-tend moeilijk.”
“Leg uit.”
“Het heeft mij geschokt tot op het bot. Die hele situatie. Ik was
geschokt door de manier waarop de blanken over de aboriginals praten.
Diep geschokt. Nergens heb ik mensen zulke racistische uitspraken horen
doen als hier.”
“...”
“De grootste schok kwam echter in Tennant Creek. Toen ik daar de
dronken aboriginals over straat zag lopen, scheldend naar elkaar, de
vechtpartijen, de verloederde kinderen... toen dacht ik ‘dit is
verschrikkelijk... dit zijn geen mensen’.”
“Vond je?”
“Ja. In het park, elke middag opnieuw, al die stomdronken en laveloze
mannen en vrouwen... de kinderen in vodden... en ’s ochtends, slapend
op het trottoir en in het park.”
“...”
“Toen ik in de supermarkt kwam waar de vrouwen hun inkopen deden toen
ging ik bijna over m’n nek van de stank van hun lichaamsgeur. Ik vond
dat zo ontzettend smerig.”
“Zij vinden dat jij stinkt. Zij walgen van de geur van zeep.”
“Dat is niet wat ik wil vertellen.”
“Ga door...”
“Ik schrok van mezelf... dat ik dit soort gedachten kon hebben. Mijn
hoofd zei: ‘dit is verschrikkelijk, dit zijn geen mensen’, maar mijn
hart zei: ‘hoe kun je zoiets denken, je bent een racist’. Er ontstond
ineens een conflict in mezelf. Ik kon daar heel moeilijk mee overweg.
Toen begreep ik ook dat mensen die minder genuanceerd kunnen denken
minder moeite hebben met hun meningsvorming en dat daar het racisme
kans heeft.”
“Ik snap wat je bedoeld.”
“In Tennant Creek, Katherine, Darwin, Elliott, Alice Springs, Halls
Creek, Fitzroy Crossing... overal... noem het maar op. Overal zie je
twee verschillende werelden. De blanken deden alsof de aboriginals niet
bestonden de aboriginals maakten geen oogcontact met de blanken. Geen
oogcontact. Ze kijken er langs of er doorheen. In Tennant Creek was dat
het meest zichtbaar. Ik stond op het kruispunt te kijken en dacht toen:
‘wanneer je nu alle donkere mensen uit dit beeld weggumt dan gaat de
blanke wereld gewoon door, zonder dat ze het merken, zonder dat er iets
veranderd. En wanneer je de blanke wereld uit het plaatje wist, met hun
auto’s en hun gebouwen... dan gaat de aboriginalwereld gewoon door. Die
liggen dan, net als ze nu op het asfalt liggen, in het spinifex te
slapen. Het waren twee werelden die over elkaar heen geschoven waren
zonder dat ze iets met elkaar te maken hadden. Schokkend!
Veel later las in dat Bill Bryson, in zijn boek Down Under, exact
hetzelfde beeld beschreef. Dat vond ik boeiend. Uitermate boeiend.”
“Hij had het over twee paralelle universums.”
“Precies.”
“...”
“En jij?”
“Toen ik de eerste aboriginal zag, weet je nog; die woest beschilderde
didgeridoospeler in Sydney ? Dat vond ik een toeristische attractie van
de eerste orde. En dat is, denk ik, het beeld wat de meeste toeristen
van aboriginals krijgen. In ieder geval zij die een paar dagen Sydney
doen, daarna naar Uluru vliegen en vervolgens naar het Groot Barrière
Rif. De tweede keer dat ik ze zag was in Camooweal, Weet je dat nog?”
“Ja,natuurlijk weet ik dat nog.”
“In dat blok noodwoningen, naast de camping. Tot diep in de nacht werd
er geschreeuwd, gedronken en ruzie gemaakt. Mannen, vrouwen en
kinderen, iedereen deed mee. Ik kon er niet van slapen. En ik vond het
zo’n diep, diep trieste toestand. Ik kan me niet voorstellen dat iemand
er gelukkig mee is, met de manier waarop de aboriginals tussen blanken
wonen.
In de grotere steden (behalve Darwin) heb ik geen aboriginals zien winkelen, werken of wat dan ook. Jij wel?”
“Nee... zelden.”
“Ze zijn er en toch ook weer niet. Ze zijn er, maar je ziet ze niet. In
de dorpen in de outback zie je ze wel. Schreeuwend, drinkend en ruziënd
met elkaar... of zittend op de grond in de schaduw. En, net zoals je
net al zei; de blanken kijken niet naar hen en zij kijken niet naar
blanken. Er is geen oogcontact. Niets.”
“Nee.”
”Maar we zijn ook langs zijn dorpen gefietst waar alleen aboriginals
mogen wonen. En daar heb je, als blanke, weer een speciale pas nodig om
er naar toe te mogen. En bij andere dorpen stond weer een bord dat er
geen foto's mochten worden gemaakt en dat er geen public facilities
waren.”

“Had jij daar naar toe gewild?”
“Weet ik niet. Misschien had ik dat moeten doen. De eerste keer dat in
met een aboriginal sprak was in Tennant Creek. Een oude man keek naar
mijn fiets en vroeg ‘how are you doing’. Ik was er helemaal verbaasd
van. Verrast antwoordde ik 'ok... and you?' ‘Good’ zei hij en wandelde
door. De volgende dag bedelde een meisje om wat geld.”
“Mannen vroegen mij vaak om geld... for smoke.”
“Ik vond het heel leuk dat we tijdens het fietsen, wanneer een auto met
aboriginals ons voorbij kwam, zo werden toegejuicht. Dat was veel
leuker dan die blanken, die hun wijsvinger eventjes van het stuur halen
en een wenkbrauw oplichten. Dat was meer een soort beleefdheidsvorm of
zo.
Maar ik vind het nog steeds jammer dat ik geen gesprek met deze mensen
heb durven aangaan. Zij lijken niet van onze wereld te zijn en wij
hebben hun wereld vernietigd, zowel fysiek als psychisch. Maar hun
mentaliteit is niet te breken, zoals is gebeurd met de indianen in de
Amerika's. Dick, de aboriginals hebben hier minimaal 45 en misschien
wel 60 duizend jaar lang in harmonie met de natuur geleefd. Het is de
oudste ononderbroken beschaving die we kennen. En in minder dan
tweehonderd jaar hebben de blanken kans gezien dit volk te reduceren
tot een randgroepering. Dit bijzondere volk is zowel in aantal als
waardigheid gedecimeerd. Door ziekten uit Europa, door gevechten met
blanken die de grond opeisten waarop zij leefden, door uitbuiting als
goedkope werkkrachten bij boeren en als absoluut dieptepunt door het
bij de moeders weghalen van de kinderen tussen 1920 en 1980... om te
worden heropgevoed als 'blanken'... met als doel een 'natuurlijk' einde
te maken aan de aanwezigheid van de aboriginals in Australië.”
“Je wordt er boos om hè?”
“Ja. Ik word er verschrikkelijk boos om. Het was gewoon een ethnische
zuivering! En het uiteindelijke resultaat van deze door de regering
bedachte strategie is in en in triest. Naast het onmenselijke leed dat
moeders en kinderen generaties lang hebben geleden is er de
ontwrichting van de hechte aboriginalsamenleving met z'n complexe
structuur, het verlies van hun moedertaal bij veel kinderen,
psychosociale problemen, ga zo maar door. Na het lezen van het boek The stolen children, their stories door Carmel Bird werd
me opeens duidelijk waarom er zoveel verpauperde aboriginals in de
dorpen waren. Ik begreep ineens die situaties die wij gezien hebben in
Tennant Creek en Fitzroy Crossing. De hele aboriginalgemeenschap lijdt
nog steeds aan de gevolgen van deze onmenselijke zuiveringsactie. En
het aller- allerergste vind ik dat de Australische regering tot op
heden nog steeds geen officieel excuus heeft aangeboden aan de
aboriginals. Ze moesten zich diep en diep schamen.
(Er is een officieel rapport van de National Inquiry into the
separation of Aboriginal and Torres Strait Islander children from their
families genaamd Bringing Them Home).”
“...”
“Dick, mijn hele romantische idee over aboriginals ligt in duigen. Ik
wist wel iets van de omstandigheden waaronder ze de laatste tweehonderd
jaar hebben moeten leven, maar ik was in de veronderstelling dat dit in
de laatste jaren allemaal was opgelost en dat iedereen in pais en vree
naast elkaar leefde. Australië was immers in mijn ogen een beschaafd
land met beschaafde mensen.
Daar denk ik nu heel anders over. Men leeft wel naast elkaar maar in
twee totaal van elkaar gescheiden werelden die helemaal niks met elkaar
gemeen hebben. Het is bizar om dat mee te maken, dat heb ik nog in
geen ander land ervaren. En het racisme hier, dat is
inderdaad verschrikkelijk. Dat geloof je gewoon niet.”
“...”
“En ja... met die blanke aussies is het moeilijk praten over de
situatie. Sommigen erkennen het probleem, maar zien het niet als hun
verantwoording er iets aan te doen of zien geen oplossing. ‘It’s a huge
problem’ zeggen ze ‘a huge problem.” Anderen negeren het probleem
volledig. Maar de meeste Australiërs zien de aboriginals als het
probleem. Die nemen het de regering kwalijk dat er miljoenen in
werkgelegenheid voor ‘die zwarten’ gepompt wordt, en dat al die
projecten telkens weer mislukken omdat ‘die zwarten’ niet willen
werken.
Laatst las ik weer over de wegen die gezocht worrden in muziek en
beeldende kunst. Die bieden maar voor een paar van hen een toekomst
die in beide culturen van waarde is (ook al zijn dat totaal
verschillende waarden). Mijn gevoel is echter dat bij het grootste deel
van de aboriginals hun hoop op een betere toekomst verdwenen is, maar
daar weer is mijn blanke denken. Aboriginals hebben in hun taal niet
eens woorden voor begrippen als gisteren en morgen. Dus het begrip
toekomst kennen ze niet eens op de manier zoals wij dat kennen. Ik heb
geen idee hoe ze denken. En en dat gebrek aan kennis over de manier
waarop aboriginals de wereld van nu ervaren deel ik met het grootste
deel van de Australische bevolking. De blanke hulpverleners die we
gesproken hebben zijn stuk voor stuk gedesillusioneerd in het werken
met aboriginals. Waarom dat zo is werd me duidelijk in een gesprek met
een man die me uitlegde dat blanken en aboriginals zo'n totaal
verschillend wereldbeeld hebben dat deze twee onverenigbaar zijn. De
blanke Australiër gebruikt het land om er aan te verdienen, liefst
zoveel mogelijk. Hij staat - zoals alle blanken - boven de natuur en
verbruikt deze. Er is geen balans.
De aboriginal maakt deel uit van de natuur, is er volledig van
afhankelijk en onderhoudt de natuur daarom zo goed als hij maar kan.
Hij staat in de natuur en gebruikt deze. Alles draait om balans.
Er wordt aan gewerkt, maar er is nog een lange weg te gaan voordat de
oorspronkelijke- en importbevolking van Australië in harmonie met
elkaar kunnen leven.”
“Ik denk dat wij, in onze generatie, de oudste beschaving ter wereld
zien verdwijnen en dat we, wanneer het zover is, ons de haren uit het
hoofd trekken.”
“Ik wil minder pessimistisch zijn.”

“Maar hoe kijk je nu terug op je jaar in Australië. Krijgt het land een
voldoende? Zul je anderen aanraden om hier een jaar te gaan fietsen?”
”Op de manier zoals wij het gedaan hebben? Nee, dat raad ik weinig
mensen aan. Daarvoor is ons leven toch te extreem en dit land ook. Maar
ik kan volmondig zeggen dat ik een heel interessant jaar heb gehad. Ik
heb veel gezien, gepuft, gedacht, gevloekt, gehuild, gepraat, gefietst,
geslapen, gegeven en gekregen en ik heb weer wat grenzen verlegd.”
“Dat had op andere plekken toch ook gekund?”
“Dat is waar, maar zoals ik al zei; alles hier is extreem. Dat maakt de
ervaring toch net iets anders. Ik ben sterker uit Australie gekomen dan
ik er ben ingegaan. Voor mij was het beslist de moeite waard. En voor
jou?”
“Wanneer mensen mij vragen wat ik er van vond, van mijn jaar in
Australië, dan zou ik zeggen dat ik m’n jaar misschien beter had kunnen
gebruiken.”
“...”
“Misschien. Ik weet het niet echt, want ik kan het nooit meer
vergelijken. Je kunt nu eenmaal niet op twee plekken tegelijk zijn. Ik
heb het vooral in het eerste half jaar niet naar m’n zin gehad. Ik
moest heel erg wennen aan een maatschappij die op het eerste gezicht
precies hetzelfde is als degene waar ik uit kom... maar toch heel
anders. Ik heb veel moeite gehad met de botte onbeschaafdheid van de
blanken, met hun taalgebruik en hun manieren.
In het tweede half jaar ging het gelukkig beter, toen kon ik daar beter
mee omgaan. Maar ik zou niemand aanraden om een heel jaar door
Australië te gaan fietsen.”
“Nee?”
“Nee. Ik zou zeggen: ‘Ga een maand of drie naar Tasmanië en doe een
deel op het vasteland’. Australië is groot en de highlights zijn few
and far between. En... het is heel lang fietsen naar Uluru. Heel lang.”

|
De Cijferlijst
Hiernaast staan de links de andere pagina's die deze
maand actueel zijn. Het reisverslag gaat over de Great Ocean Road, de
routekaart geeft een overzicht van ons rondje en het recept is heel erg
Autralisch. Veel plezier!
|
|
Routekaart
|
|
|
|