Wervelende derwisjen

Het beeld op de foto
hierboven heb je vast wel eens eerder gezien. Je herkent het misschien
van posters die in reisbureaus aan de wand hangen of anders uit een
reisgids van Turkije of Istanboel. Het is, samen met de rotswoningen in
Capadocië, een van de bekendste iconen uit Turkije; een groep mannen in
wijd ronddraaiende witte rokken met vreemde hoge petten op hun hoofd.
Maar wat is het nu eigenlijk?
Is het een oude Turkse volksdans? Is het folklore, is het zoiets als onze Driekusman?
Wij wisten het echt niet. Maar wanneer wij naar zo’n foto keken dachten
we toch wel aan Drenthe, aan klederdracht en aan schaapscheerderfeest.
Dat soort dingen, maar dan in het Turks natuurlijk.
En toch ook weer niet.
We dachten ook wel aan ‘geheimzinnig’.
Dus... toen we hier in Istanboel opnieuw zo’n poster zagen met zo’n
vage bewogen foto er op keken we elkaar aan en vonden we dat het tijd
was voor een onderzoek.
En zo gebeurt het dat we op een regenachtige
zondagmiddag de tram nemen naar Tünel en daar op zoek gaan naar het
Divan Edebiyati Müzesi. In dat museum is een zaal waar we, volgens de
poster, de derwisjen kunnen zien draaien. Het museum is snel gevonden.
We betalen entree en worden naar een achthoekige zaal gebracht waar een
paar honderd houten klapstoeltjes in cirkels rond een houten dansvloer
staan. Het is er koud, het ruikt naar oude kranten en de sfeer is een
beetje naargeestig. Er wordt geen woord gesproken, zelfs niet
gefluisterd. Het voelt een beetje alsof we in een oude kerk zitten.
Op ieder stoeltje ligt een folder. Daarin wordt ons uitgelegd wat we hier vanmiddag gaan zien.
Na een paar regels is ons duidelijk dat wat we op die posters en in die
reisgidsen zien geen folklore is. De Derwisjen zijn geen dansers en ze
doen dit niet voor hun plezier. De Derwisjen horen bij de
diepreligieuze Mevlevi-orde die deze manier van ronddraaien (de Semâ
ceremonie) gebruiken om in een religieuze trance te komen.
We lezen ook dat de naam van de Mevlevi-orde is afgeleid van de
soefimysticus Mevlana Celaleddini Rumi (1207-1273). Halverwege de
dertiende eeuw was hij de grote inspirator van de Semâ ceremonie die
gedurende de hele bloeitijd van het Ottomaanse Rijk werd uitgevoerd.
Die ceremonie is, in die ruim zevenhonderd jaar, een onlosmakelijk deel
van de Turkse geschiedenis, het geloof, de gebruiken en cultuur
geworden. Het symboliseert in zeven delen de verschillende stadia van
een mystieke cyclus om, al ronddraaiend, tot de perfecte spirituele
staat te komen.
“Weet je...”
“Ja?”
“Als je dus altijd gedacht hebt dat de Hare Krishna’s met hun
tamboerijnen, belletjes en mantra’s of de Holy Rollers van de Harlem
Congregations met hun swingende gospels de enigen zijn die hun geloof
met muziek en dans belijden dan heb je het dus al die tijd mis gehad.
De Wervelende Soefi Derwisjen doen dit dus al sinds de dertiende eeuw.
Al draaiend komen ze dus in een religieuze trance.”
“Ja, blijkbaar.”
We lezen verder en raken de weg kwijt in de
wollige termen die gebruikt worden. Volgens de folder is de
wetenschappelijke wereld unaniem van mening dat de fundamentele basis
van ons bestaan een ronddraaiende beweging is. Er
is niets in het universum dat niet rond draait. De verwantschap tussen
alle levensvormen is nl. de omwenteling van protonen en elektronen in
de atomen. De atomen zijn de bouwstenen van alles dat wij kennen; van
het kleinste eencellige wezen tot de verste ster. Ook de mens bestaat
uit atomen en dus bestaat de mens bij de gratie van
- de omwentelingen in diens atomen,
- de circulatie van het bloed,
- de cyclus van het uit de aarde komen en er uiteindelijk weer naar terugkeren,
- het ronddraaien met de aarde.
Dit zijn allemaal omwentelingen die er van nature zijn en buiten onze wil om ontstaan.
Maar de mens bezit een geest (een wil) en intelligentie en dat
onderscheidt hem van en maakt hem superieur aan alle andere
levensvormen. De ronddraaiende Derwisjen (de Semâzen) gebruiken de
geest om bewust op te gaan in de gedeelde verwantschap, de werveling in
alle bestaansvormen.
We kijken elkaar aan, zuchten even en lezen weer verder:
De Semâ ceremonie laat een mystieke reis zien van
iemands spirituele opgaan in het Perfecte (Kemal) via de geest en
liefde. Al draaiend naar de waarheid, groeit hij of zij door liefde,
laat het ego los, vindt de waarheid en bereikt het Perfekte. Van deze
spirituele reis komt hij terug als een gelouterd mens die beter in
staat is tot het geven van liefde en ook als een mens die dienstbaar is
aan de mensheid. Ongeacht geloof, ras of rang in de samenleving. De
derwisj met zijn hoofddeksel (grafsteen van het ego), zijn witte gewaad
(lijkwade van het ego) wordt spiritueel geboren als hij zijn zwarte
mantel uit doet.
Hij reist naar en ontwikkelt meer en meer geestelijke volwassenheid
gedurende elke fase van de Semâ. Aan het begin (met de armen gekruist
voor het lichaam en de handen op de schouders) vertegenwoordigd hij het
nummer een. Hiermee getuigt hij van Gods al-eenheid. Terwijl hij rond
zijn eigen as draait gaan de armen open, rechter handpalm omhoog
gericht om Gods zegen te ontvangen. Hij staart naar zijn linkerhand die
met de palm naar de aarde is gericht. Draaiend van rechts naar links
cirkelt zijn lichaam om het hart. Op deze manier brengt hij Gods
heilige gift (zegen) over aan de mensheid waarover deze waakt. Door om
het hart te draaien, van rechts naar links, omhelst hij de mensheid, de
schepping, met Liefde.
“Ik denk dat ik het straks in het hotel
nog maar eens over moet lezen. Ik heb niet het idee dat ik het allemaal
begrijp wat hier staat.”
“Nee?”
“Jij wel?”
“Ja. Ik snap het wel.”
“Jij zit anders in elkaar.”
“Blijkbaar.”
Inmiddels zijn alle plaatsen bezet en speelt er op de balustrade een
orkest. De muziek is zacht en lijkt niet van deze wereld. Het is in
ieder geval niet iets wat we al eens eerder gehoord hebben. De
muzikanten zijn gekleed in lange donkere gewaden en hebben allemaal een
hoge vilten hoed op.
“Die hoed staat voor het ego” fluistert Els.
“Het ego?”
“Ja. Staat hier, in die folder.”
“Wat staat er nog meer?”
“Wat er straks gaat gebeuren, luister:
De Semâ ceremonie bestaat uit zeven verschillende
fasen die allemaal een specifieke betekenis hebben. De ceremonie begint
met een lofzang op de Profeet die de Liefde vertegenwoordigt, en op
alle Profeten voor hem. Door de Profeten te prijzen eert men God, die
hen en ons allen geschapen heeft. Deze lofzang wordt gevolgd door
tromgeroffel. Dit symboliseert de Heilige orde (Kun-Be) van de
Schepper. Daarna volgt een instrumentale improvisatie (Taksim) op een
ney (fluit). Dit geeft de eerste uitademing weer, welke leven geeft aan
alles (Heilige Adem).”
“Dat is dus waar we nu zijn...”
“Ja.”
Aan de zijkant van de zaal gaat een deur open en komen er een dozijn
mannen de zaal in. Ze dragen allemaal een lange donker mantel en hebben
net zo’n vilten hoed op als de orkestleden. Hun blik is
uitdrukkingloos, doods bijna. Ze kijken niet naar elkaar, niet naar de
mensen in de zaal, niet naar iets. Hun ogen staren in het niets.

In het midden van de zaal maken ze, langzaam schrijdend achter elkaar,
driemaal een volledige cirkel en maken ze naar elkaar, regelmatig een
buiging. Nadat ze voor de derde keer de cirkel hebben gerond gaan ze op
hun knieën, naast elkaar, aan de zijkant van de zaal zitten. De muziek
zwelt langzaam aan en lijkt naar een climax te gaan.
En dan, opeens, laten de mannen zich tegelijk naar voren vallen met hun handen plat op de vloer.
Het is doodstil.
Dood- en doodstil.
Ze staan op, leggen hun donkere gewaden af en lijken zich een beetje te
ontspannen. De muziek begint weer en een van de mannen, de enige die
zijn donkere mantel nog aan heeft, schrijdt naar het midden van de
vloer. De anderen gaan in een rij staan, met hun armen gekruist voor
hun borst en hun handen op hun schouders en lopen op hem toe. De man in
de mantel geeft een nauwelijks zichtbaar teken en dan begint de eerste
man te draaien. De jurk die hij draagt opent zich als een bloem en
langzaam spreidt de man zijn armen. Eén hand open naar boven, één hand
open naar beneden. Het hoofd schuin.
Een voor een beginnen de mannen te draaien, de een wat sneller dan de
ander en allemaal met een andere voettechniek. De muziek speelt en
speelt en speelt en de mannen draaien en draaien en draaien. Tien
minuten duurt het.



En dan stopt de muziek en staan de mannen stil.
Ze wankelen niet, zoeken niet naar evenwicht maar staan stil.
Helemaal stil.
Een minuut of twee, hooguit drie.
En dan begint het weer opnieuw.
Een voor een groeten de dansers de man in de donkere mantel, die een seintje geeft en opnieuw beginnen ze te draaien.
Het bijzondere is dat ze, hoewel ze allemaal hun ogen dicht hebben en
de hele vloer over wervelen, elkaar niet één keer raken. Elkaar niet en
ook niet de man in de donkere mantel.
De cyclus wordt nog eens twee keer herhaald en iedere ‘dans’ duurt een
minuut of tien. Het fascinerende aan het schouwspel is dat geen van de
mannen duizelig lijkt te zijn of nadat hij gestopt is met ronddraaien
naar zijn evenwicht zoekt.
Na de vierde keer groeten de mannen elkaar en schrijden ze de zaal uit.
De muziek stopt, de muzikanten pakken hun instrumenten op en het
publiek verlaat, zichtbaar onder de indruk en zonder iets te zeggen, de
zaal.

Weer buiten wandelen we door de nauwe stegen in de richting van de Galata Brug.
“Wat vond je er van?’
“Indrukwekkend. Heel indrukwekkend.”
“In welke zin?”
“Nou, allereerst was het heel anders dan dat ik me had voorgesteld.”
“Hoezo?”
“Nou, door de foto’s had ik een idee gekregen dat het een hele
dynamische gebeurtenis zou moeten zijn, met opzwepende muziek en zo.
Dat was het dus niet.”
“Nee.”
“Maar wel heel indrukwekkend.”
“...”
“Die muziek vond ik heel mooi.”
“Ja, vond ik ook.”
“En ik vond het heel bizar dat ze niet omvielen van duizeligheid.”
“Staat er in die folder nog iets waarom ze dat draaien vier keer herhaald hebben?”
“Ja. Dat ronddraaien is dus de eigenlijke Semâ. Die ceremonie bestaat
uit vier begroetingen, die Selams heten. Hier staat het, luister: De
eerste selam is de geboorte in waarheid door gevoel en geest. De
aanvaarding van God als de Schepper en zijn eigen positie als wezen in
die schepping. De tweede selam laat de verscheurde mens zien die van
God’s grootse creatie getuigt in Diens alomtegenwoordigheid.
De derde selam symboliseert het opgaan van de geest in Liefde.
Complete overgave, eenheid met God. In Boeddhisme wordt deze staat van
zijn Nirvana genoemd. In Islam heet het Fenafillah.
Tijdens de vierde selam keert de Derwisj (net als de Profeet) na zijn
spirituele reis terug om op aarde zijn taak als dienaar van God te
volbrengen.”
“Ik snap het.”
“Echt?”
“Ja, het ritueel dus.”
“Ik vond het heel bijzonder, heel sacraal. Er wordt geen enkel woord
gesproken. Hun ogen staren in het niets. Net zoals je ook op
schilderijen van heiligen ziet. En ik had echt gedacht dat ik naar een
spetterende dansvoorstelling zou gaan. De realiteit is dus verrassend
anders.”
“Maar weet je waar ik een beetje moeite mee heb?”
“Nou?”
“Dat ze er een toeristische attractie van maken.”
“Vind je?”
“Ja, toch wel”
“Jij vindt dat het meer een voorstelling is dan een sacrale gebeurtenis...”
“Ja. In zekere zin wel.”
“Dat ze geen toegangsprijs zouden moeten vragen.”
“In ieder geval niet zo veel.”
“...”
|